De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot wijziging van de partneralimentatie tussen partijen die in 2014 zijn gescheiden. De man verzocht primair om de alimentatie op nihil te stellen wegens het vervallen van de behoeftigheid van de vrouw, subsidiair om beëindiging vanwege samenwonen als waren zij gehuwd, en meer subsidiair om nihilstelling wegens inkomensverlies van de man.
De rechtbank oordeelde dat het subsidiaire verzoek tot beëindiging wegens samenwonen niet kon worden toegewezen omdat niet was vastgesteld dat de vrouw een duurzame affectieve relatie had met een ander en dat er geen bewijs was van samenwonen, wederzijdse verzorging of een gemeenschappelijke huishouding. Het meer subsidiaire verzoek tot nihilstelling wegens inkomensverlies van de man werd afgewezen omdat onvoldoende inzicht werd gegeven in de hoogte en besteding van zijn ontslagvergoeding.
Primair werd beoordeeld of de vrouw haar werkuren kon uitbreiden om haar behoefte te verminderen. De rechtbank concludeerde dat zij haar werkuren slechts met drie uur per week kon uitbreiden en dat dit een vermindering van de alimentatie met €50 per maand rechtvaardigde. Na indexering werd de alimentatie vastgesteld op €528 per maand met ingang van de datum van de beschikking. Proceskosten werden ieder voor eigen rekening toegedeeld.