4.1.1.Standpunt verdediging
Door de raadsvrouw van de verdachte is vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Hiertoe is primair aangevoerd dat de staandehouding en identeitsbevraging onrechtmatig is wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld bij de politie. Een onrechtmatige staandehouding en identeitsbevraging levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het nadeel van de verdachte is aantasting in zijn bewegingsvrijheid, persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Dit dient tot gevolg te hebben dat al het bewijs dat is voortgevloeid uit het onherstelbare vormverzuim van het bewijs moet worden uitgesloten. Bewijsuitsluiting is gerechtvaardigd en noodzakelijk als waarborg en middel om politieambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.
Hiertoe is subsidiair aangevoerd dat de verdachte geen machtsrelatie over het wapen had en zich niet in een meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen.
Meer subsidiair is aangevoerd dat het aangetroffen DNA van de verdachte op het vuurwapen onvoldoende betrouwbaar en onvoldoende redengevend is wegens mogelijke contaminatie. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van getuige [naam getuige] niet kan worden gebezigd voor het bewijs vanwege de onbetrouwbaarheid en onwaarschijnlijkheid van haar verklaring.
4.1.2.Beoordeling
Op 28 november 2020 komt er bij de politie de melding binnen dat de dochter van de melder samen met een vriendin en een jongen in een donkerkleurige Golf is gestapt. De vriendin zou donker getint zijn en rasta haar hebben. De dochter van de melder zou slachtoffer zijn van mensenhandel c.q. mensensmokkel en in het loverboycircuit zitten. Naar aanleiding van deze melding is een politie eenheid in de richting van de Boulevard te Rozenburg gereden. Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat er veelal jongeren op die plek staan. Op de Boulevard zagen de verbalisanten een donkerkleurig voertuig met daarin een bijrijder die voldeed aan het signalement van de vriendin zoals omschreven door de melder. Hierop hebben de verbalisanten aan de bestuurder van het voertuig een stopteken gegeven, teneinde het voertuig te controleren. In het voertuig zaten vier inzittenden, waaronder de verdachte. Van alle inzittenden werd een legitimatiebewijs ter inzage gevorderd. Op de bestuurder na, konden de inzittenden zich niet legitimeren. De verdachte is op grond van de Wet op de identificatieplicht gefouilleerd, maar er werd geen legitimatiebewijs bij hem aangetroffen. Bij de verdachte is wel een groot geldbedrag aangetroffen, waarop hij is aangehouden wegens verdenking van witwassen.
Op de achterbank achter de bijrijder, de plek in het voertuig waar de verdachte zat, lagen onder andere drie goudkleurige hulzen. Naar aanleiding van de aangetroffen hulzen is het voertuig in beslag genomen en doorzocht. Onder de bijrijdersstoel is een vuurwapen met daarin munitie aangetroffen. Op de ruwe delen van het vuurwapen en het patroonmagazijn is een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aangetroffen.
(On)rechtmatige staandehouding en identeitsbevraging
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de staandehouding en - vervolgens - het vorderen van een legitimatiebewijs rechtmatig zijn geweest.
De politie is op grond van art. 8 van de Politiewet 2012 bevoegd inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen te vorderen (en daartoe staande houden) voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. Deze politietaak bestaat uit de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de handhaving van de openbare orde en/of de verlening van hulp aan hen die dit behoeven.
Naar aanleiding van de melding hebben de verbalisanten een voertuig waarin een inzittende zat die voldeed aan het signalement een stopteken gegeven. De verbalisanten wilden nagaan of de dochter van de melder niet tegen haar zin in het voertuig zat. De politie heeft dan ook uitvoering gegeven aan de politietaak strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
De rechtbank acht het optreden en vervolgens het vorderen van een legitimatiebewijs rechtmatig. Het verweer wordt verworpen.
DNA en voorhanden hebben vuurwapen
Om de verdachte verantwoordelijk te kunnen houden voor de aanwezigheid van het vuurwapen in het voertuig, is vereist dat hij wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid daarvan en voorts dat hij beschikkingsmacht daarover heeft gehad.
Het vuurwapen is aangetroffen onder de bijrijdersstoel van het voertuig waarin verdachte zich bevond. De verdachte zat achter de bijrijdersstoel. Op de ruwe delen van het vuurwapen en op het patroonmagazijn, met daarin munitie, is een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte stelt dat zijn DNA op het vuurwapen terecht gekomen zou kunnen zijn doordat hij in het voertuig blote voeten had, waarmee hij mogelijk het vuurwapen heeft aangeraakt. Daarnaast stelt de raadsvrouw dat het mogelijk is dat het DNA van de verdachte via contaminatie van de buitenkant van het vuurwapen op de patroonhouder terecht is gekomen, doordat het vuurwapen niet is veiliggesteld op DNA, het vuurwapen op een smoezelige doek lag en het niet duidelijk is wanneer het vuurwapen is onderzocht.
Op 28 november 2020 is het vuurwapen in beslag genomen. Op 29 november 2020 heeft verbalisant Heeg het vuurwapen veiliggesteld. Tijdens het veiligstellen is er een foto van het vuurwapen genomen. Op die foto is waar te nemen dat het vuurwapen op een wit, vierkant plat voorwerp ligt. De rechtbank gaat er van uit dat dit geen ‘smoezelige’ doek, zoals de verdediging stelt, is maar de zak waarin het vuurwapen is of wordt verpakt. Tevens was de patroonhouder tijdens het veiligstellen in het vuurwapen aanwezig. In het proces-verbaal omtrent het veiligstellen staat vermeld dat ter voorkoming van mogelijke contaminatie tijdens de uitvoering van de handelingen met het vuurwapen gebruik is gemaakt van de voorgeschreven beschermingsmiddelen. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat er contaminatie heeft plaatsgevonden.
Gelet op de hoeveelheid aangetroffen DNA, de plekken waar het DNA is aangetroffen - waaronder op het patroonmagazijn – en gelet op het feit dat het vuurwapen veilig is gesteld middels de voorgeschreven beschermingsmiddelen, concludeert de rechtbank dat de verdachte zowel wetenschap als de beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad.