Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..de vennootschap onder firma
2. [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3] ,
1..Het procesverloop
- het exploot van dagvaarding met producties, van 17 september 2020;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- het tussenvonnis van 25 november 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties;
- de faxbrief van [gedaagden] van 25 januari 2021, met een productie ten behoeve van de mondelinge behandeling.
2..De vaststaande feiten
“bar met koelingen;
koelwerkbank keuken;
Fornuis/kachel;
afzuig installatie;
airco;
3 wijnkoelkasten;
winterhalter vaatwasstraat”
“Kunnen jullie de bevestiging sturen over het geen we telefonisch overeengekomen zijn. 12000,- in 12 termijnen van 1 maand. Startdatum betaling is 1/8/2020. Zodra jullie dit via mail bevestigen maken wij het nieuwe huurcontract voor jullie opvolgers. Groet [naam 2] ”Op 16 juni 2020 reageert [gedaagde 2] :
Goedemorgen [naam 2] , naar welk mail adres wil je dit hebben?”
Schuldeiser aan Schuldenaar de overeengekomen inventaris van [gedaagde 1] aan de [adres] verkoopt voor € 12.0000,-- exclusief omzetbelasting.
Schuldenaar dit in 12 maandelijkse termijnen van € 1.000,- exclusief omzetbelasting aan schuldeiser betaalt vanaf 1 augustus 2020 (…)
Bij het niet tijdig en/of volledig voldoen van de maandelijkse termijn (op de 1e werkdag van de maand) door schuldenaar is de vordering voor schuldeiser direct en volledig opeisbaar.”
Huurder zal uiterlijk 15 juli 2020 al haar (openstaande) verplichtingen tot en met 30 juni 2020 nakomen voortvloeiend uit de huurovereenkomst. Indien huurder in gebreke blijft, op welke wijze en om welke reden dan ook, om het gehuurde tijdig op te leveren en haar verplichtingen na te komen, is deze beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig en wordt deze vernietigd.”
3..Het geschil in conventie en reconventie
in conventie, na wijziging van eis, (verkort weergegeven) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen niet is vernietigd, en [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 12.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met eventueel verschuldigde btw en de wettelijke handelsrente vanaf 4 augustus 2020. Voorts vordert zij een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 895,- aan buitengerechtelijke incassokosten en € 2.959,46 aan (proces)kosten van de conservatoire beslagleggingsprocedure en tot betaling van de (na)kosten van de onderhavige procedure, al deze posten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na deze uitspraak.
4..De beoordeling
Zoals telefonisch besproken willen jullie een betaling van € 12.000,-.” [gedaagde 2] schrijft derhalve niets over de inventaris. Hiermee geeft hij er blijk van dat de regeling niet zag op de overdracht van de inventaris, maar op de betaling van een geldbedrag.