Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding;
- de akte van [eiser] ;
- de antwoordakte van [gedaagde] .
2..De overwegingen
3..De beslissing
[1729;1582]
Rechtbank Rotterdam
De eiser startte een procedure bij dagvaarding met een eerste roldatum op 25 november 2020, maar betaalde het griffierecht pas op 30 december 2020, na de wettelijke termijn. De wet bepaalt dat bij niet tijdige betaling de gedaagde van de instantie wordt ontslagen, tenzij dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De eiser voerde aan dat geen griffierechtnota was ontvangen en dat het griffierecht snel na een betalingsherinnering was voldaan, waardoor ontslag van instantie onbillijk zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat dit niet volstaat om de sanctie buiten toepassing te laten, mede omdat de eiser een nieuwe procedure kan starten.
De rechtbank benadrukte het belang van tijdige betaling van griffierechten, vooral bij verplichte rechtsbijstand door een advocaat, om kosten en inefficiënties te voorkomen. Daarom werd de gedaagde ontslagen van de instantie en de eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank ontslaat de gedaagde van de instantie wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en veroordeelt de eiser in de proceskosten.