Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:1840

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 januari 2021
Publicatiedatum
5 maart 2021
Zaaknummer
C/10/610088 / FA RK 20-9932
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3a lid 1 onder a WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorgArtikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang

Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënt op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd). Cliënt lijdt aan vasculaire dementie met gedragsproblemen en onrust, wat leidt tot ernstig nadeel zoals risico op psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Cliënt is rolstoelgebonden en heeft een verhoogde zorgbehoefte, waarbij de echtgenote overbelast is geraakt.

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij cliënt, zijn advocaat, de echtgenote, een arts en een gedragscoach werden gehoord, bleek dat cliënt zich wel eens verzet tegen de zorg maar niet tegen zijn verblijf in de accommodatie. De arts vermoedt dat dit verzet zal afnemen. Omdat het verzet niet gericht is tegen opname, geldt dit als instemming volgens artikel 3a lid 1 onder a Wzd.

De rechtbank concludeert dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor verplichte opname en wijst het verzoek tot rechterlijke machtiging af. Tegen deze beschikking staat cassatie open. De beslissing is mondeling gegeven op 4 januari 2021 en schriftelijk uitgewerkt op 11 januari 2021.

Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen omdat cliënt instemt met zijn verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/610088 / FA RK 20-9932
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 4 januari 2021 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënt],
geboren op [geboortedatum cliënt ] te [geboorteplaats cliënt] ,
hierna: cliënt,
wonende aan de [adres cliënt] ,
thans verblijvende bij De Zellingen, verpleeghuis Rijckehove, afdeling Beukenhof,
aan de [verblijfadres cliënt]
advocaat mr. P. Arkema-Hummel te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen op 21 december 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 13 oktober 2020;
  • de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1] , specialist ouderengeneeskunde, van 26 november 2020; en
  • de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 12 oktober 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op
4 januari 2021.
Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:
  • cliënt met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2] , de echtgenote van betrokkene; en
  • [naam 3] , arts, en [naam 4] , gedragscoach, beiden verbonden aan De Zellingen.

2..Beoordeling

2.1.
Uit de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een vasculaire dementie met gedragsproblemen en onrust.
2.2.
Het gedrag van cliënt leidt als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Cliënt heeft een verminderd besef van tijd en plaats. De concentratie en het geheugen zijn aangedaan, waardoor er sprake is van verregaand regieverlies. Cliënt werd thuis door zijn echtgenote verzorgd. Cliënt moet gestimuleerd en geholpen worden bij het opstaan, het wassen, het aankleden, het innemen van voeding en vocht en de toiletgang. Cliënt is incontinent geworden en zijn zorgbehoefte is toegenomen. Daarnaast heeft cliënt regelmatig geagiteerd en agressief vertoond. Hierdoor is de echtgenote van cliënt overbelast geraakt. Recentelijk is cliënt opgenomen in het ziekenhuis in verband met een cerebrovasculair accident (een beroerte) en forse epileptische activiteit. Tijdens deze opname is cliënt besmet geraakt met Covid-19. Hierop is hij overgeplaatst naar een accommodatie van de zorgaanbieder, waar hij momenteel ook verblijft.
2.3.
Gebleken is dat cliënt zich weleens verzet tegen de zorg, maar niet tegen zijn verblijf in de accommodatie. De arts vermoedt dat dit verzet ook zal gaan afnemen. Daarnaast is cliënt rolstoelgebonden, waardoor hij de accommodatie niet kan verlaten. Omdat het verzet van cliënt niet gericht is tegen de opname, is er sprake van instemming zoals bedoeld in artikel 3a lid 1 onder a Wzd. Hiermee is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor verplichte opname. Daarom wordt het verzoek tot een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 4 januari 2021 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, en op 11 januari 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.