1.2[naam dochter verzoekster] is verdacht van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne en/of (de organisatie tot) het uithalen (uit containers) van grote hoeveelheden cocaïne en omkoping van havenmedewerkers in de haven van Rotterdam.
Naar aanleiding van dit strafrechtelijk onderzoek vond op 3 november 2020 een doorzoeking in de woning plaats. Daarbij is het volgende aangetroffen:
- 60,1 gram amfetamine;
- 93,74 gram gedroogde henneptoppen;
- 40,08 gram gedroogde gemalen henneptoppen;
- 304,87 gram gedroogde hennepplanten;
- 13 mobiele telefoons;
- een aantal simkaarten en
- een aantal bakens (plaatsbepaling- / volgapparatuur).
In een bestuurlijke rapportage van de politie van 25 november 2020 (de rapportage) zijn de bevindingen van de doorzoeking beschreven. De rapportage is aangeboden aan verweerder.
2. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat op 3 november 2020 in de woning bovengenoemde hoeveelheden harddrugs en softdrugs zijn aangetroffen.
Volgens verweerder is sprake van een ernstig geval en rechtvaardigt dit een tijdelijke sluiting van zes maanden. Verweerder neemt in zijn besluitvorming mee dat er dertien mobiele telefoons, een aantal simkaarten en een aantal bakens in de woning aanwezig waren. De aanwezigheid van een dergelijke hoeveelheid mobiele telefoons en simkaarten maakt het aannemelijk dat sprake is van handel in drugs. De aangetroffen bakens worden doorgaans in het (zware) criminele milieu gebruikt om personen te kunnen volgen.
Ook acht verweerder van belang dat [naam dochter verzoekster] wordt verdacht van betrokkenheid bij de invoer van (grote) hoeveelheden cocaïne en omkoping van havenmedewerkers in de haven van Rotterdam en dat de woning is doorzocht in het kader van een langlopend onderzoek naar een criminele organisatie. Tot slot is van belang dat de woning is gelegen in een gebied dat op het terrein van veiligheid onder druk staat.
Verweerder gaat ervan uit dat de woning bekend is in het criminele drugscircuit, hetgeen een gevaar betekent voor de openbare orde. Daarom acht verweerder een sluiting van de woning voor de duur van zes maanden noodzakelijk om de openbare orde te herstellen, herhaling te voorkomen en de bekendheid van de woning in het criminele drugscircuit te doorbreken. De belangen van verzoekster heeft verweerder meegewogen, maar ondergeschikt geacht aan de belangen die met een sluiting zijn gediend, namelijk het herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning en het voorkomen van een herhaling. Niet is gebleken dat verzoekster als bewoonster specifiek op deze woning is aangewezen.
Aan de sluiting heeft verweerder artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2019 (de Beleidslijn) ten grondslag gelegd.
3. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.