De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van schuldenares. De rechter-commissaris had ingestemd met het verzoek van de bewindvoerder om de regeling te beëindigen en de bewindvoerder verzocht de rechtbank om de regeling te verkorten op grond van artikel 354a Fw.
De kern van het geschil betrof de vraag of schuldenares toerekenbaar tekort was geschoten in haar sollicitatieverplichting gedurende de schuldsaneringsregeling. Uit een arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV bleek dat schuldenares beperkingen heeft waardoor zij niet in staat is tot het verrichten van betaalde arbeid. Dit betekende dat zij feitelijk vrijgesteld was van de sollicitatieplicht.
De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ook was het saldo op de boedelrekening onvoldoende voor een verificatievergadering en werd verwacht dat schuldenares geen afloscapaciteit meer zou realiseren. Daarom kwam de regeling in aanmerking voor beëindiging met verlening van de schone lei.
De rechtbank besloot de tussentijdse beëindiging te weigeren, maar verleende wel de schone lei en stelde het salaris van de bewindvoerder vast. De schuldsaneringsregeling eindigt zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.