ECLI:NL:RBROT:2021:1503

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
ROT 20/3623
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AwirArt. 3:4 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvordering zorgtoeslag wegens disproportionele terugwerkende kracht

Eiseres, woonachtig met haar twee meerderjarige dochters, ontving zorgtoeslag. Op 8 november 2019 schreef één dochter zich uit het woonadres uit, waardoor toeslagpartnerschap ontstond volgens artikel 3 Awir Pro. Dit leidde tot een terugvordering van zorgtoeslag over de periode vanaf 1 januari 2019 met terugwerkende kracht.

De rechtbank oordeelt dat het terugvorderen van toeslagen over deze gehele periode disproportioneel is, omdat eiseres niet kon voorzien dat haar dochter zou vertrekken en het gezamenlijke inkomen daalt door het vertrek. De rechtbank wijst op het belang van een belangenafweging en matiging van terugvordering bij bijzondere omstandigheden, zoals ook bevestigd in eerdere jurisprudentie.

Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met deze belangenafweging en het verzamelbesluit toeslagen werkt te beperkend. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd voor zover het de terugvordering betreft over de genoemde periode. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de terugvordering van zorgtoeslag over 1 januari tot 8 november 2019 wegens disproportionele terugwerkende kracht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3623
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. K. Scheuller,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: [naam 1] .
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, haar dochter en tolk [naam tolk] .
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 27 januari 2021 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover verweerder de zorgtoeslag van 1 januari 2019 tot 8 november 2019 van eiseres terugvordert, bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de overige rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 48,00 vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.

Overwegingen

Tussen partijen is niet in geschil dat tot 8 november 2019 drie volwassenen (eiseres en haar twee meerderjarige dochters) en de minderjarige kinderen van de dochters op het woonadres van eiseres stonden ingeschreven, zodat er geen sprake van toeslagpartnerschap was. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat in een dergelijk geval namelijk niet één toeslagpartner kan worden aangewezen. Tevens is niet betwist dat op 8 november 2019, het moment dat de meerderjarige dochter [naam 2] zich op het woonadres heeft uitgeschreven, twee meerderjarigen (eiseres en haar dochter) en minderjarige kinderen op het woonadres waren ingeschreven.
De rechtbank is van oordeel dat op 8 november 2019, op grond van artikel 3, tweede lid, onder e, van de Awir, toeslagpartnerschap is ontstaan. De rechtbank is met eiseres van mening dat haar situatie met haar twee volwassen dochters niet gelijk is aan de meer traditionele samengestelde (opbouwende) gezinssamenstelling die de wetgever bij het partnerbegrip in de wetgeving voor ogen had. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat er om deze reden bij haar geen sprake van toeslagpartnerschap kan zijn. Ten aanzien hiervan volgt de rechtbank verweerder in de gegeven toelichting dat meerdere aspecten bij de aanpassing van het begrip partnerschap van belang zijn. Getracht is het partnerbegrip te stroomlijnen. Op basis van objectieve criteria wordt bepaald of er sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en eindigt, waarbij de inschrijving in de Basisregistratie Personen doorslaggevend is geworden. Tevens is bij de uitvoering van belang dat het systeemtechnisch voor verweerder niet mogelijk is om meer dan één volwassene als toeslagpartner aan te merken.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze wijziging (de uitschrijving) vanaf 1 december 2019 in aanmerking moet worden genomen. Omdat [naam 3] en eiseres, in ieder geval vanaf 1 januari 2019 op hetzelfde woonadres ingeschreven stonden, gaat volgens artikel 3, derde lid, van de Awir het toeslagpartnerschap dan in per 1 januari 2019.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat ten onrechte bij het bestreden besluit ten aanzien van de terugvordering geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.
Verweerder heeft met de motivering in het verweerschrift alsnog met toepassing van het Verzamelbesluit Toeslagen, laatstelijk aangepast per 15 januari 2021, de belangen van eiseres afgewogen. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat van bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake is. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat eiseres heeft aangevoerd dat de terugvordering het gevolg is van de omstandigheid dat haar dochter zich uitgeschreven heeft op haar woonadres op 8 november 2019. Eiseres kon in januari 2019 niet voorzien dat haar dochter in november 2019 de woning zou verlaten en haar andere dochter op dat moment alsnog als toeslagpartner wordt aangemerkt. Dat het hieruit volgende toeslagpartnerschap met terugwerkende kracht over het gehele jaar wordt toegepast en van haar wordt teruggevorderd, heeft volgens eiseres onevenredige en disproportionele gevolgen voor haar. Eiseres acht dit in strijd met artikel 3:4 Awb Pro.
De rechtbank is van oordeel dat geen gevolg is gegeven aan overweging van in de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536, waarbij is overwogen dat onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afgezien of het terug te vorderen bedrag kan worden gematigd, ook als die omstandigheden al bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag aan de orde konden komen. Op grond van artikel art. 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de nadelige gevolgen van dat besluit voor een belanghebbende namelijk niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De rechtbank is van oordeel het gevolg van deze nieuwe uitleg van artikel 26 van Pro de Awir is dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de terugvordering van toeslagen meer mogelijkheden krijgt om in individuele gevallen maatwerk te leveren waarbij kennelijk het Verzamelbesluit Toeslagen ten onrechte beperkend werkt.
De rechtbank is van oordeel dat het terugvorderen in dit geval met terugwerkende kracht over de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 november 2019, gelet op de bijzondere feitelijke wijziging van het partnerschap in haar situatie per 8 november 2019 niet in proportionele verhouding staat tot de gevolgen voor eiseres. Eiseres en haar twee dochters hebben immers een gezamenlijk inkomen dat daalt door het vertrek van één van de dochters van eiseres. Juist in die situatie is het wrang dat dan ook met terugwerkende kracht van eiseres wordt teruggevorderd.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder wel het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend, dienen de kosten te worden voldaan aan de rechtsbijstandverlener. De door eiseres vermelde kosten, te weten verschotten/eigen bijdrage van € 148,-, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de eigen bijdrage in het kader van de toevoeging, is de rechtbank van oordeel dat hiervoor geen plaats is. In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is een limitatieve opsomming gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In een afzonderlijke vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand te betalen eigen bijdrage is daarbij niet voorzien.
Deze uitspraak is op 27 januari 2021 in het openbaar gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier.
de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.