ECLI:NL:RBROT:2021:1487
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat polishouders belanghebbenden zijn bij overgang verzekeringsportefeuille Optas naar Aegon
De zaak betreft het besluit van De Nederlandsche Bank (DNB) om in te stemmen met de overgang van de rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen van Optas naar Aegon bij een juridische fusie. Diverse polishouders, waaronder eisers, maakten bezwaar tegen dit instemmingsbesluit en werden door DNB niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn.
De rechtbank stelt vast dat de polishouders wel degelijk een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij het instemmingsbesluit. Hoewel het belang voortkomt uit hun contractuele relatie met Optas, is het belang niet slechts afgeleid omdat het instemmingsbesluit de noodzakelijke toestemming geeft voor de overgang van hun rechten en verplichtingen. De rechtbank volgt de jurisprudentie dat een voldoende causaal verband tussen het besluit en het belang van de partij vereist is en concludeert dat dit verband aanwezig is.
Verder oordeelt de rechtbank dat het feit dat veel andere polishouders ook getroffen worden, niet uitsluit dat individuele polishouders belanghebbenden zijn. De rechtbank wijst het argument van DNB af dat dit de verzetprocedure illusoir zou maken, omdat DNB bij een onvoldoende aantal verzetters alsnog kan toetsen op solvabiliteit en andere bedenkingen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt DNB op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt DNB veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van DNB, waarbij DNB wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.