Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Tijdens mijn regulier toezicht bevond ik mij rond 13:15 uur in de aanvoerhal van bovengenoemd slachthuis, waar ik de geloste containers met kuikens, controleerde op welzijnsafwijkingen. Ik zag de containers van de wagen met volgnummer 37* met kuikens van koppelnummer 25 (zie de planning) in de aanvoerhal staan. Op het dagoverzicht vervoer zag ik dat de op deze wagen geladen dieren afkomstig waren uit stal 6 van [eiseres] (zie bijlage dagoverzicht vervoer). Ik heb deze containers vervolgens ook gecontroleerd.
latenvervoeren van dieren en staat in artikel 8 expliciet Pro dat de houders van de dieren ervoor moeten zorgen dat de voorschriften in Bijlage I, hoofdstuk III, afdeling 1 worden nageleefd. Daarnaast volgt uit artikel 2, aanhef en onder w, van de Transportverordening dat onder “vervoer” niet slechts de verplaatsing van dieren wordt verstaan, maar ook daarmee samenhangende activiteiten zoals het laden van dieren. Eiseres heeft gewezen op artikel 26 van Pro de Transportverordening waarin onder andere staat welke acties de bevoegde autoriteit onderneemt als een vervoerder de Transportverordening niet naleeft. Uit dit enkele artikel kan echter niet worden geconcludeerd dat de gehele Transportverordening louter ziet op verplichtingen voor de vervoerder. De Transportverordening is gericht tot een ieder die bij het vervoer betrokken is en uit het betreffende specifieke voorschrift volgt wie daarin de normadressaat is. Uit het in dit geval overtreden artikel 8 van Pro de Transportverordening volgt duidelijk dat dit de houder van de dieren, dus eiseres, is. Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat eiseres dit voorschrift, gelezen in samenhang met Bijlage I, hoofdstuk III, paragraaf 1.3, onder a, van de Transportverordening, heeft overtreden.