De werknemer is sinds 2005 in dienst en bekleedt de functie van Section Head Purchasing bij de werkgever, een bedrijf dat zich bezighoudt met olieraffinage en distributie. In het kader van een kostenbesparingsproject (Project Metis) is de werknemer per 7 december 2020 tijdelijk uit zijn functie ontheven en kreeg hij een special assignment. De werkgever had onvoldoende vertrouwen in de inzet van de werknemer voor het project, mede vanwege diens coulante houding tegenover leveranciers en onvoldoende proactieve houding.
De werknemer vorderde in kort geding wedertewerkstelling in zijn oorspronkelijke functie, maar de kantonrechter oordeelde dat er feitelijk geen functiewijziging heeft plaatsgevonden, maar een tijdelijke ontheffing vergelijkbaar met een tijdelijke op non-actiefstelling. De werkgever had een gerechtvaardigd belang bij de maatregel vanwege de financiële noodsituatie veroorzaakt door de coronapandemie.
De kantonrechter achtte de tijdelijke ontheffing voor circa vier maanden redelijk en vond dat de werknemer geen belang had bij onmiddellijke wedertewerkstelling. De toezegging dat de werknemer per 1 april 2021 zijn functie weer mag uitoefenen werd in het vonnis opgenomen. De vordering werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.