ECLI:NL:RBROT:2021:13590
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van de aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag wegens drugsdelict
Eiseres heeft op 12 mei 2020 een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van helpende bij een verpleegkundige instelling. De Minister voor Rechtsbescherming heeft de aanvraag afgewezen op grond van een veroordeling van 19 februari 2019 voor een drugsdelict, waarbij zes maanden gevangenisstraf is opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
Eiseres betoogt dat er geen verband bestaat tussen het drugsdelict en haar werkzaamheden, dat zij geen bevoegdheden heeft met betrekking tot medicatie en dat het drugsdelict lichter is afgedaan dan de richtlijnen voorschrijven. De Minister stelt dat het risico op herhaling in de zorgfunctie een gevaar vormt voor het welzijn en de veiligheid van patiënten.
De rechtbank oordeelt dat het drugsdelict relevant is voor de aanvraag en dat het objectieve criterium is vervuld. De eerdere vermogensdelicten uit de periode 1995-2001 worden niet meer zwaar meegewogen. Het beroep van eiseres op het subjectieve criterium wordt verworpen omdat de belangenafweging door de Minister voldoende is gemotiveerd en het persoonlijke belang van eiseres niet zwaarder weegt dan het maatschappelijke belang.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG gehandhaafd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard.