De stichting Poort6 vorderde de ontruiming van een woning in Gorinchem die zij verhuurt aan [gedaagde 1] c.s., nadat de burgemeester de woning had gesloten wegens de aanwezigheid van verdovende middelen. Poort6 had de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en stelde dat sprake was van een tekortkoming in de nakoming, waaronder het bezit van een handelshoeveelheid drugs en het niet als goed huurder gedragen.
De kantonrechter oordeelde dat hoewel de woning op grond van artikel 13b Opiumwet was gesloten en Poort6 bevoegd was tot buitengerechtelijke ontbinding, onvoldoende aannemelijk was dat Poort6 in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik had gemaakt. De aangetroffen hoeveelheid drugs was weliswaar meer dan voor eigen gebruik toegestaan, maar er was geen bewijs van daadwerkelijke handel of overlast. Ook de overige door Poort6 gestelde tekortkomingen waren niet voldoende onderbouwd.
Daarnaast werd meegewogen dat [gedaagde 1] c.s. al meer dan 30 jaar huurder zijn zonder eerdere problemen, dat zij de huurpenningen blijven betalen en dat het besluit tot sluiting nog niet onherroepelijk is vanwege lopend bezwaar. De belangen van de bewoners, waaronder de aanwezigheid van een minderjarig kleinkind, werden eveneens betrokken in de afweging.
Gelet op de ernst van de maatregel ontruiming en de onvoldoende onderbouwing van de tekortkomingen werd de vordering afgewezen. Poort6 werd veroordeeld in de proceskosten.