ECLI:NL:RBROT:2021:12967

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 augustus 2021
Publicatiedatum
29 december 2021
Zaaknummer
9277896 CV EXPL 21-20502
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering premie autoverzekering en incassokosten door Achmea tegen verzekerde

Achmea Schadeverzekeringen N.V. heeft een vordering ingesteld tegen een verzekerde wegens een bedrag van €94,78 aan onverschuldigd ontvangen premie na beëindiging van een autoverzekering. Achmea had de premie ten onrechte geïncasseerd en terugbetaald, maar de verzekerde had deze terugbetaling ook gestorneerd, waardoor hij het bedrag onterecht heeft behouden.

De verzekerde betwistte de vordering en stelde dat hij de premie reeds had betaald, en stuurde bewijsstukken aan de deurwaarder. Op de zitting werd hem gelegenheid gegeven deze stukken in te brengen, maar hij maakte hier geen gebruik van. De kantonrechter oordeelde dat het verweer onvoldoende was onderbouwd en ging uit van niet-betaling.

De kantonrechter kende Achmea de hoofdsom van €94,78 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf dagvaarding, en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van €48,40 inclusief btw. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van Achmea toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van €144,71 inclusief rente en incassokosten aan Achmea.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9277896 \ CV EXPL 21-20502
uitspraak: 13 augustus 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de naamloze vennootschap
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te: Apeldoorn,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 26 mei 2021,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
die in persoon procedeert.
Partijen worden hierna aangeduid als Achmea respectievelijk [gedaagde].

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:
  • het exploot van dagvaarding, met producties;
  • de aantekeningen van de griffier van het op de rolzitting van 17 juni 2021 door [gedaagde] gegeven mondelinge antwoord.
1.2
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe op de rolzitting van 17 juni 2021 in de gelegenheid gesteld, geen aanvullende bewijsstukken in het geding gebracht.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
[gedaagde] heeft een autoverzekering bij Achmea afgesloten. Uit hoofde van deze overeenkomst was hij maandelijks een bedrag aan premie aan Achmea verschuldigd.
2.2
De autoverzekering is beëindigd.

3..De vordering

3.1
Achmea heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 144,71 vermeerderd met de wettelijke rente over de (nog openstaande) hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat alles is betaald met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
Achmea heeft naast de onder 2 . genoemde vaststaande feiten - aan haar vordering ten grondslag gelegd dat ten tijde van het beëindigen van de autoverzekering, de nieuwe premie al was geïncasseerd. Achmea heeft de ten onrechte geïncasseerde premie daarom aan [gedaagde] teruggestort. [gedaagde] heeft de incasso van de premie echter ook gestorneerd, waardoor hij ten onrechte een bedrag van € 94,78 van Achmea heeft ontvangen. Achmea vordert dit bedrag aan hoofdsom. Zij baseert haar vordering primair op onverschuldigde betaling, subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair op onrechtmatige daad.
Daarnaast vordert zij op grond van artikel 6:119 BW Pro wettelijke rente die, berekend vanaf 29 juli 2020 tot de dag van dagvaarding € 1,53 bedraagt.
Op grond van artikel 6:96 lid 6 en Pro 7 BW vordert zij een bedrag van € 48,40 (incl. € 8,40 btw) aan buitengerechtelijke incassokosten.

4..Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering betwist. Hij heeft als verweer aangevoerd dat hij de premie waarvan betaling wordt gevorderd in mei 2020 heeft betaald. Het bewijs van die betaling heeft hij aan de deurwaarder gestuurd.

5..De beoordeling

5.1
Het geschil ziet op de vraag of [gedaagde] gehouden is het bedrag van € 94,78 aan Achmea te voldoen.
5.2
[gedaagde] heeft op de rolzitting van 17 juni 2021 als verweer aangevoerd dat hij het bedrag van € 94,78 heeft betaald en de bewijsstukken daarvan aan de deurwaarder heeft gestuurd.
5.3
De kantonrechter heeft [gedaagde] op de rolzitting van 17 juni 2021 in de gelegenheid gesteld om de bewijsstukken op de rolzitting van 14 juli 2021 te 14.30 in het geding te brengen. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
[gedaagde] heeft zijn verweer dat het gevorderde bedrag reeds betaald is, tegenover de gemotiveerde stellingen van Achmea dat zij het door haar ten onrechte geïncasseerde bedrag aan [gedaagde] heeft terugbetaald en [gedaagde] de incasso tevens heeft gestorneerd waardoor hij per saldo ten onrechte een bedrag van € 94,78 heeft ontvangen, dan ook onvoldoende onderbouwd. Aan nadere bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. In rechte wordt er daarom vanuit gegaan dat het bedrag van € 94,78 niet is betaald. De hoofdsom van € 94,78 zal daarom worden toegewezen.
5.4
De wettelijke rente zal als niet weersproken eveneens worden toegewezen.
5.5
Achmea maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt voor toewijzing in aanmerking, nu met het versturen van de bij dagvaarding als productie 4 overgelegde brief van 28 oktober 2020 is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 6:96, zesde lid BW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 48,40 (incl. btw), dat jegens [gedaagde] redelijk is, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht.
5.6
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 234,22 aan verschotten (waarvan € 108,22 aan dagvaardingskosten en € 126,00 aan griffierecht) en € 37,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt van € 37,00 per punt).

6..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Achmea tegen kwijting te betalen een bedrag van € 144,71, vermeerderd met de wettelijke rente over € 94,78 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 234,22 aan verschotten en € 37,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
426