ECLI:NL:RBROT:2021:12639

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
FT EA 21.1429
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 288 lid 3 FwArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering Staatsblad 2013, 308
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks belastingschuld door controle financiële situatie

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvermogen tot betaling van zijn schulden. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op de zitting van 15 december 2021 en vastgesteld dat verzoeker is gestopt met betalen en niet meer kan voortgaan met betaling van zijn schulden.

Hoewel verzoeker een aanzienlijke schuld aan de Belastingdienst heeft van € 73.501 uit 2018, welke niet te goeder trouw is ontstaan en normaal gesproken een bezwaar vormt tegen toelating, heeft de rechtbank op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro overwogen dat de omstandigheden die tot deze schuld hebben geleid onder controle zijn gebracht. Verzoeker wordt sinds 2019 bijgestaan door zijn ex-partner in het regelen van financiële zaken en het voldoen aan verplichtingen, en de Kredietbank Rotterdam bevestigt dat zijn financiële situatie stabiel is en het revalidatietraject goed verloopt.

De rechtbank verklaart zich bevoegd op grond van de EU-verordening omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt. De schuldsaneringsregeling wordt toegewezen, met benoeming van een rechter-commissaris en toekenning van een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder. Tevens wordt de bewindvoerder gemachtigd tot het openen van aan verzoeker gerichte post.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen ondanks de belastingvordering, omdat verzoeker zijn financiële situatie onder controle heeft.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 15 december 2021
[verzoeker],
[adres 1],
[woonplaats],
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 15 december 2021.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..De beoordeling

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar de schuld die verzoeker heeft aan de Belastingdienst van in totaal € 73.501 uit 2018. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan en staat in beginsel aan toelating in de weg.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is.
Verzoeker wordt sinds 2019 bijgestaan door zijn ex-partner, [naam 1], in het regelen van de financiële zaken en het communiceren met de verscheidene instanties. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard verzoeker te zullen blijven bijstaan en hem te zullen helpen in het voldoen van de verplichtingen die gelden in de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarnaast heeft [naam 2] van de Kredietbank Rotterdam ter zitting verklaard dat de financiële situatie van verzoeker stabiel is en dat het revalidatietraject van verzoeker goed verloopt.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3..De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1], [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam 3],
gevestigd te [adres 2]
;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van T.I. van Dongen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.