Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om Van der Vleuten & Van Hooff te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een betaling van 19,23% van de totale schuldenlast aan schuldeisers, gefinancierd door een saneringskrediet. Zes schuldeisers stemden in, maar Van der Vleuten & Van Hooff weigerde mee te werken.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van Van der Vleuten & Van Hooff niet redelijk was, mede omdat haar vordering slechts 3,7% van de totale schuldenlast bedraagt en de regeling door een onafhankelijke partij is getoetst. Verzoekster is vanwege verslavingsproblematiek vrijgesteld van arbeidsverplichting en heeft geen inkomen boven haar uitkering.
De rechtbank concludeerde dat het dwangakkoord het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat het voorstel gunstiger is voor schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarom beveelt de rechtbank Van der Vleuten & Van Hooff tot instemming en wijst het subsidiaire verzoek af.