De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 januari 2021 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontucht met een minderjarige op of omstreeks 1 augustus 2019.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tijdens de terechtzitting verklaarde verdachte dat hij zich had laten aftrekken door de minderjarige.
De rechtbank oordeelde echter dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte de ten laste gelegde handelingen had verricht. Het tenlastegelegde was niet wettig en overtuigend bewezen, waardoor verdachte werd vrijgesproken.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken, onder voorzitterschap van P. Putters en met de rechters A. Hello en A.A. Kalk.