Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen een schuldeiser die niet instemde met een door haar aangeboden schuldregeling. De regeling betrof betaling van 18,06% van de totale schuldenlast aan tien concurrente schuldeisers, waarvan negen akkoord gingen. De schuldeiser die weigerde had een vordering van € 2.476,45, 27,1% van de totale schuld.
De rechtbank hield meerdere zittingen, waarbij verzoekster wegens omstandigheden niet kon verschijnen. Ter zitting werd onder meer vastgesteld dat verzoekster kampt met depressie en fysieke klachten, een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en nooit meer dan het minimumloon verdiende. Het voorstel was gebaseerd op de NVVK-norm en getoetst door de Kredietbank Rotterdam.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan het belang van de weigeraar, mede omdat een wettelijke schuldsaneringsregeling minder gunstig zou zijn voor schuldeisers. De rechtbank veroordeelde de schuldeiser tot instemming met het akkoord, wees het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.