Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..De vordering in verzet
4..De beoordeling
Is het verzet tijdig ingesteld?
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis waarin eiser was veroordeeld tot ontruiming van een woning en betaling van huur. Het verstekvonnis was gewezen op 17 juni 2016, maar eiser stelde dat hij niet tijdig in verzet kon komen omdat het vonnis niet persoonlijk was betekend en de ontruiming buiten zijn aanwezigheid had plaatsgevonden.
De kantonrechter oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld, omdat de termijn pas begon te lopen op het moment van betekening van een beslaglegging op een motorvoertuig van eiser in april 2021. Vervolgens werd het geschil inhoudelijk behandeld.
Eiser betwistte dat hij de huurovereenkomst had gesloten en stelde dat sprake was van identiteitsfraude. De verhuurder kon niet aantonen dat eiser daadwerkelijk de huurder was, noch een sluitende identiteitsvaststelling overleggen. De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat eiser de huurovereenkomst was aangegaan.
Daarom werd het verzet gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vordering van de verhuurder afgewezen. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vordering van verhuurder afgewezen wegens onvoldoende bewijs van huurovereenkomst.