De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het gezamenlijk ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen te beëindigen vanwege een jarenlange strijd tussen de ouders die de ontwikkeling van de kinderen ernstig zou bedreigen. De ouders oefenen momenteel gezamenlijk het gezag uit, maar de Raad stelde dat zij niet in staat zijn de zorg en opvoeding adequaat te dragen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 oktober 2021 voerden beide ouders gemotiveerd verweer. De rechtbank overwoog dat het gezag kan worden beëindigd indien de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de zorg en opvoeding te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De echtscheiding dateert uit 2016 en sindsdien is er een voortdurende strijd tussen de ouders, wat ook de kinderen heeft geraakt.
De rechtbank concludeerde dat het beëindigen van het gezag niet het meest in het belang van de kinderen is. De ouders hebben intensieve therapeutische ondersteuning nodig en moeten intrinsiek gemotiveerd zijn om tot verandering te komen. De strijd richt zich vooral op de zorgregeling, waarbij het gezamenlijk gezag niet problematisch is. Daarom werd het verzoek van de Raad afgewezen.
De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.