ECLI:NL:RBROT:2021:11271

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
10/994527-14 / Raadkamernummer: RK/1542
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocidenArt. 36b SrArt. 33c SrArt. 117 SvArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onttrekking aan het verkeer van niet-toegelaten Chinese gewasbeschermingsmiddelen bevestigd zonder vergoeding

In deze strafzaak heeft de rechtbank Rotterdam op 17 november 2021 beslist over een vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen Chinese gewasbeschermingsmiddelen. De zaak kende een bijzonder verloop: na eerdere veroordelingen en vernietiging door de Hoge Raad werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat handhaving via bestuursrecht had moeten plaatsvinden. De goederen waren in 2014 reeds als beheersmaatregel vernietigd.

De rechtbank stelde vast dat de goederen toebehoorden aan beslagene en in strijd waren met artikel 20 van Pro de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Ondanks het bestuursrechtelijke sanctiekader bleef de strafrechtelijke onttrekking mogelijk. De vordering tot onttrekking werd daarom toegewezen.

Een verzoek van beslagene tot vergoeding van vermogensschade werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat beslagene niet in een slechtere positie was gekomen, omdat ook in de bestuursrechtelijke procedure vernietiging en kostenverhaal hadden plaatsgevonden. De rechtbank zag geen billijkheidsgrond voor vergoeding.

De beslissing werd genomen door een meervoudige raadkamer bestaande uit drie rechters, in aanwezigheid van de griffier. Beslagene was opgeroepen maar niet verschenen.

Uitkomst: Vordering tot onttrekking aan het verkeer van de Chinese gewasbeschermingsmiddelen wordt toegewezen, verzoek tot vergoeding afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/994527-14
Raadkamernummer: RK/1542
Beslissing van de rechtbank te Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement ex artikel 552f Wetboek van Strafvordering d.d. 19 juni 2020, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 19 juni 2020, er toe strekkende dat de inbeslaggenomen voorwerpen, toebehorende aan:

[beslagene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [woonplaats] , [land] ,
(beslagene),

door de rechtbank onttrokken aan het verkeer worden verklaard.

Procedure

De rechtbank heeft, naast voormelde vordering, gezien: een beslaglijst, als bijlage bij de vordering, waaruit - zakelijk weergegeven - blijkt dat op 5 april 2013 onder beslagene inbeslaggenomen werd:
- 1 zending met diverse Chinese gewasbeschermingsmiddelen, zijnde: 20 pallets à 40 kartonnen dozen, in totaal 800 colli;
- 9 pallets, zijnde: 8 pallets à 40 kartonnen dozen en 1 pallet à 30 kartonnen dozen verpakkingen met 4 jerrycans à 5 liter van het Chinese gewasbeschermingsmiddel Propiconazool 250 EC, in totaal 350 colli.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de vordering in openbare raadkamer van 6 oktober 2021 gehoord: de officier van justitie, mr. R.M.J. de Rijck, en de raadsman van de beslagene, mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam.
Beslagene is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Bevoegdheid

De rechtbank is bevoegd tot het geven van een beslissing als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr.), aangezien de zaak bij deze rechtbank is aangebracht.

Ontvankelijkheid

Bij arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 22 maart 2019 is voornoemde strafzaak, na terugwijzing door de Hoge Raad, geëindigd met de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Deze beslissing is onherroepelijk geworden, zodat deze strafzaak is geëindigd zonder dat daarbij een beslissing over de inbeslaggenomen voorwerpen is gegeven. Artikel 36b, vierde lid, Sr. biedt de officier van justitie de mogelijkheid een “losse” vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen. De wijze waarop deze vordering ingediend en behandeld behoort te worden is geregeld in artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.).
De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vordering tot onttrekking aan het verkeer.

Beoordeling van de vordering

Inleiding
De strafzaak waarin de goederen in beslag zijn genomen, heeft een bijzonder verloop gekend. De verdachte is door de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag aanvankelijk veroordeeld voor het opzettelijk op de markt brengen van een aanzienlijke hoeveelheid niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Het arrest van het gerechtshof Den Haag is vervolgens door de Hoge Raad vernietigd en de zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag. Dit hof heeft op 22 maart 2019 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard, omdat – kort gezegd – handhaving langs bestuursrechtelijke weg had moeten plaatsvinden in plaats van strafrechtelijke vervolging. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden op 18 november 2019. Over de in beslag genomen goederen is door het gerechtshof geen beslissing genomen. Deze goederen zijn in 2014 - bij wijze van beheersmaatregel - vernietigd op grond van artikel 117 Sv Pro.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.
Door de raadsman is bepleit dat ook wat betreft de inbeslagneming het bestuursrecht de aangewezen weg was geweest en dat onttrekking aan het verkeer daarom thans niet meer toegestaan is. Subsidiair is verzocht om aan beslagene een geldelijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 36b, tweede lid, Sr. in samenhang met artikel 33c, tweede lid, Sr.
Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer
Op grond van het onderzoek in openbare raadkamer is voldoende vast komen te staan dat het inbeslaggenomene toebehoort aan beslagene. De in beslag genomen voorwerpen waren (en zijn) in strijd met de wet, meer in het bijzonder met artikel 20 van Pro de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De enkele omstandigheid dat een bestuursrechtelijke afdoening in omschreven gevallen op grond van een door de Minister vastgesteld en gepubliceerd sanctiekader (de Sanctiestrategie) voor het openbaar ministerie in de weg staat aan een strafrechtelijke afdoening, maakt daarmee nog niet dat de strafbepaling als zodanig niet vervallen of anderszins buiten toepassing geraakt.
Daarmee is vast komen te staan dat het ongecontroleerde bezit van deze in beslag genomen goederen in strijd is met de wet, maar ook met het algemeen belang. Bij dit alles betrekt deze rechtbank dat de rechtbank en het gerechtshof hebben bewezenverklaard dat de door beslagene ingevoerde voorwerpen gewasbeschermingsmiddelen betroffen waarvan de invoer in de Europese Unie is verboden, en dat beslagene daarvan niet is vrijgesproken.
De voorwerpen zijn derhalve vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en de vordering is toewijsbaar.
Geldelijke vergoeding
Ingevolge de artikelen 36b, tweede lid, jo. 33c, tweede lid, Sr. kan de rechter een geldelijke vergoeding toekennen, indien degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren door de onttrekking aan het verkeer
onevenredig zwaarwordt getroffen.
Vast staat dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd had moeten worden. Omdat de goederen in plaats daarvan op grond van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen zijn, zou dit onder bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen zijn voor een vorm van vergoeding. Daarvan is sprake indien aannemelijk zou zijn gemaakt dat beslagene
vermogensrechtelijkin een betere positie zou zijn geëindigd indien de
bestuursrechtelijkeprocedure zou zijn gevolgd. Op dat punt merkt de rechtbank op dat de raadsman in zijn brief van 19 januari 2021 uiteen heeft gezet wat de gevolgen zouden zijn geweest van die bestuursrechtelijke procedure. Deze gevolgen zouden inhouden dat ook dan de goederen zouden zijn vernietigd, en daarnaast zouden de kosten van vernietiging op de beslagene verhaald zijn. De rechtbank stelt vast dat beslagene door een beslissing tot onttrekking aan het verkeer niet in een slechtere positie is gekomen.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond(en) van billijkheid om tot enige vergoeding over te gaan.

Beslissing

De rechtbank:

Wijst toe de vordering van de officier van justitie;

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1 zending met diverse Chinese gewasbeschermingsmiddelen zijnde 20 pallets à 40 kartonnen dozen, in totaal 800 colli;
- 9 pallets zijnde: 8 pallets à 40 kartonnen dozen en 1 pallet à 30 kartonnen dozen verpakkingen met 4 jerrycans à 5 liter van het Chinese gewasbeschermingsmiddel Propiconazool 250 EC, in totaal 350 colli.
Wijst afhet verzoek tot
toekenning van een geldelijke vergoedingaan beslagene.
Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank
op 17 november 2021 door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter, en
mrs. J.J. Bade en G.A.J.M. van Vugt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier.