AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing zorgmachtiging op grond van onvoldoende ernstig nadeel en geen verzet
De officier van justitie verzocht de rechtbank Rotterdam om een zorgmachtiging toe te wijzen op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene die lijdt aan een psychische stoornis. Uit de medische verklaring en het zorgplan bleek dat betrokkene mogelijk onder de DSM-classificatie overige stoornissen valt en dat haar gedrag mogelijk zou kunnen leiden tot ernstig nadeel.
Tijdens de mondelinge behandeling op 22 september 2021 verschenen betrokkene, haar advocaat en zorgprofessionals van GGZ Delfland. De verpleegkundig specialist gaf aan betrokkene niet persoonlijk te kennen, maar meldde dat betrokkene wel hulp wil, maar soms afwijzend reageert. De advocaat voerde aan dat er geen vastgestelde psychische stoornis is en dat betrokkene meewerkt zonder verzet, waardoor het verzoek niet toewijsbaar is.
De rechtbank concludeerde dat hoewel er sprake is van een verontrustende situatie, er geen ernstig nadeel is dat een zorgmachtiging rechtvaardigt. Betrokkene erkent haar problematiek en staat open voor hulpverlening. De rechtbank achtte een zorgmachtiging niet proportioneel en wees het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van ernstig nadeel en verzet.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/624879 / FA RK 21-6693
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 22 september 2021 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] , [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats betrokkene] ,
advocaat mr. P.M. Iwema te Rotterdam.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 3 september 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [naam psychiater] , psychiater, van 24 augustus 2021;
het zorgplan van 24 augustus 2021;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
de relevante politiegegevens van betrokkene; en
het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 september 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met haar hiervoor genoemde advocaat;
[naam verpleegkundig specialist] , verpleegkundig specialist, en
[naam arts] , arts, beiden verbonden aan GGZ Delfland.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2..Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, die (vermoedelijk) valt onder de DSM classificatie overige stoornissen.
2.2.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van haar psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstige materiële schade, ernstige financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.3.
Om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint en om de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van haar psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de verpleegkundig specialist dat hij betrokkene niet persoonlijk kent. Volgens de beschikbare informatie geeft betrokkene aan hulp te willen maar is dan vervolgens toch afwijzend. In het verleden zijn er al vele inspanningen verricht voor betrokkene, maar dat heeft niet tot een gewenst resultaat geleid. Voor observatie is er eerst contact nodig en een opname.
2.5.
De advocaat bepleit voor afwijzing van het verzoek. De medische verklaring is opgesteld op basis van veronderstellingen. Er is geen psychische stoornis vastgesteld en om die reden is het verzoek niet voor toewijzing vatbaar. Betrokkene heeft de intentie om mee te werken en er is dus geen sprake van verzet.
2.6.
Weliswaar is er bij betrokkene sprake van een verontrustende situatie die een reden tot zorg is, maar die thans niet leidt tot ernstig nadeel. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van verzet en dat een zorgmachtiging in deze niet proportioneel is. Betrokkene staat open voor hulpverlening en zij is welwillend om aan haar (somatische) problematiek, die zij erkent, te werken. Er is thans onvoldoende grond om verplichte zorg toe te kunnen wijzen.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 22 september 2021 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van S.M. Plaisier-van Welie, griffier, en op 29 september 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.