ECLI:NL:RBROT:2021:10197
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand ondanks tijdelijk verblijf buiten eigen woonplaats wegens corona
Eiser had na het beëindigen van zijn WW-uitkering bijstand aangevraagd bij het Drechtstedenbestuur. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser volgens hen zijn hoofdverblijf had verplaatst naar het adres van zijn vriendin in Bergschenhoek. Eiser stelde dat hij vanwege de coronacrisis tijdelijk bij zijn vriendin verbleef om zijn kwetsbare ouders niet te besmetten en dat hij zijn woonplaats niet had gewijzigd.
De rechtbank overwoog dat bij de beoordeling van woonplaats het centrum van het maatschappelijk leven en de feitelijke verblijfplaats doorslaggevend zijn. Een tijdelijke wijziging van verblijf met een vooropgezet tijdelijk karakter leidt niet tot een wijziging van de woonplaats. Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom het verblijf van eiser niet als tijdelijk moest worden beschouwd.
De rechtbank stelde vast dat eiser vóór de coronacrisis woonde bij zijn ouders in Hendrik-Ido-Ambacht en dat hij na een korte periode bij zijn vriendin weer was teruggekeerd. Het verblijf bij de vriendin was van korte duur en had een tijdelijk karakter vanwege de coronamaatregelen.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en werd verweerder opgedragen de bijstand toe te kennen vanaf 7 juli 2020. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt toekenning van bijstand vanaf 7 juli 2020 wegens tijdelijk verblijf met behoud van woonplaats.