Verzoeker heeft op 28 juni 2021 een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om drie schuldeisers te verplichten mee te werken aan een aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorzag in een uitkering van 13,79% aan preferente en 6,84% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit uit een Participatiewet-uitkering.
Tien schuldeisers stemden in met de regeling, maar drie weigerden, waaronder twee schuldeisers met een aanzienlijk aandeel in de totale schuldenlast (29,1%). De rechtbank oordeelde dat de weigering van deze schuldeisers redelijk was, mede omdat verzoeker onvoldoende had aangetoond dat hij het maximaal haalbare aanbod had gedaan. Zo had hij slechts zes ongedateerde sollicitaties overlegd en onvoldoende onderbouwd waarom hij niet meer had gesolliciteerd.
De rechtbank concludeerde dat het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder woog dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek om de schuldeisers te dwingen in te stemmen met de schuldregeling afgewezen. De rechtbank adviseerde verzoeker om een nieuw aanbod te doen zodra hij kan aantonen dat hij voldoende solliciteert.