Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..Het geschil
4..De beoordeling
- griffiegeld € 499,00
- dagvaarding € 100,89
- bevragen BRP € 2,07
- bevragen DBR € 2,13
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering van de zorgverzekeraar CZ tegen de gedaagde wegens niet-betaalde zorgpremies over april en mei 2019 ter hoogte van €464,24. CZ stelde dat de gedaagde in gebreke is gebleven met betaling en eiste betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.
De gedaagde erkende een betalingsachterstand maar voerde aan dat er afspraken over een betalingsregeling waren gemaakt en dat hij gedeeltelijke betalingen had verricht. CZ betwistte het bestaan van een betalingsregeling en ontkende ontvangst van de genoemde betalingen. De kantonrechter oordeelde dat de bewijslast voor het bestaan van een betalingsregeling bij de gedaagde lag, die dit niet voldoende had onderbouwd.
Daarom werd de vordering van CZ toegewezen tot betaling van €291,02, bestaande uit het resterende openstaande bedrag, de wettelijke rente en incassokosten conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagde werd tevens veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot betaling van de openstaande premie, wettelijke rente en incassokosten.