ECLI:NL:RBROT:2020:9737

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
30 oktober 2020
Zaaknummer
10/961514-20 / raadkamernummers 19/1747
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 529 SvArt. 530 SvArt. 552a SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding advocaatkosten klaagschriftprocedure wegens gedeeltelijk ongegrond klaagschrift

Op 3 februari 2020 is onder verzoeker beslag gelegd op diverse goederen. Vervolgens diende verzoeker op 9 april 2020 een klaagschrift in ex artikel 552a Sv. Bij beschikking van 6 juli 2020 verklaarde de rechtbank dit klaagschrift slechts gedeeltelijk gegrond, namelijk ten aanzien van een geldbedrag en een paspoort, en voor het overige ongegrond.

Verzoeker vroeg op grond van artikel 530 Sv Pro vergoeding van advocaatkosten voor de klaagschriftprocedure en het opstellen van het verzoekschrift. De officier van justitie adviseerde afwijzing van het verzoek. De rechtbank overweegt dat op grond van een analoge toepassing van artikel 530 lid 2 Sv Pro, zoals bevestigd door de Hoge Raad op 3 februari 2009, vergoeding alleen mogelijk is indien het klaagschrift integraal gegrond is verklaard.

Omdat het klaagschrift slechts gedeeltelijk gegrond werd verklaard, is vergoeding van de kosten niet toewijsbaar. Ook de kosten voor het verzoekschrift worden afgewezen omdat deze kosten nodeloos zijn gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten wordt afgewezen omdat het klaagschrift niet integraal gegrond is verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/961514-20
Raadkamernummers: 19/1747
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op een verzoek als bedoeld in de artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te (4811 CV) Breda, Nieuwe Boschstraat 51, ten kantore van zijn advocaat mr. T. van Riel.

Procedure

Het verzoek is op 17 juli 2020 ingediend.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en van het raadkamerdossier betreffende de verzoeker.
Het artikel vermeld in het verzoekschrift is in het Wetboek van Strafvordering per 1 januari 2020 vernummerd maar qua inhoud niet gewijzigd.

Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie

Verzocht is op de voet van artikel 530 Sv Pro dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor:
  • de kosten voor de noodzakelijke bijstand in de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv van de verzoeker als klager, bestaande uit de kosten van de raadsman van
  • kosten voor rechtsbijstand gemaakt in verband met het opstellen en indienen van het verzoekschrift ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 280,-.
De officier van justitie heeft schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

Op 3 februari 2020 is onder de verzoeker als verdachte in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer beslag gelegd op een groot aantal goederen.
Op 9 april 2020 is namens de verzoeker een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend. Bij beschikking van 6 juli 2020 heeft deze rechtbank dit beklag ten aanzien van een geldbedrag en een paspoort gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Beoordeling

Artikel 529, tweede en vijfde lid, in verbinding met artikel 530, tweede en vierde lid, Sv voorziet in de mogelijkheid van een vergoeding van de verzochte kosten, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
In het hier van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 530 lid 2 Sv Pro is voor toekenning van de daarin geregelde vergoeding bepaald dat de strafzaak moet zijn geëindigd zonder straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. Analoge toepassing van deze bepaling op een verzoek als het onderhavige brengt de rechtbank tot het oordeel dat als het klaagschrift ex artikel 552a Sv niet integraal gegrond is verklaard, vergoeding van de aan die procedure verbonden kosten niet mogelijk is. Hierbij is als uitgangspunt genomen de uitspraak van Hoge Raad van 3 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG2191) waarin is overwogen dat bij een vergoeding van dergelijke kosten moet worden gedacht aan zaken die eindigen met een gegrondverklaring van het klaagschrift.
Omdat het klaagschrift bij beschikking van 6 juli 2020 slechts voor een beperkt deel gegrond is verklaard, leidt het voorgaande tot de conclusie dat het verzoek tot vergoeding van de kosten van de klaagschriftprocedure moet worden afgewezen. Deze uitkomst maakt dat evenmin gronden van billijkheid aanwezig worden geacht voor vergoeding van de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het verzoekschrift. Die kosten zijn gelet op die uitkomst namelijk nodeloos gemaakt. Dit onderdeel van het verzoek zal daarom ook worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. V.F. Milders, rechter,
in tegenwoordigheid van R.M.T. Verheijde, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.