ECLI:NL:RBROT:2020:9538
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak ontuchtige handelingen met minderjarige wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige op circa 10 december 2018. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte haar op school in het toilet had betast, maar deze verklaring stond op zichzelf zonder voldoende steun van ander bewijs.
Tijdens de terechtzitting op 9 september 2020 ontkenden zowel de officier van justitie als de verdediging het tenlastegelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank overwoog dat in zedenzaken vaak slechts het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn, waardoor de verklaring van één getuige niet zonder meer voldoende is.
De rechtbank vond de verklaring van het slachtoffer oprecht, maar constateerde dat deze onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. De ontkennende verklaring van verdachte werd eveneens als oprecht beoordeeld. Aangezien er geen concreet steunbewijs uit een andere bron was, kon het bewijsminimum niet worden gehaald.
Daarom verklaarde de rechtbank het tenlastegelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij. Dit vonnis werd uitgesproken op 23 september 2020 door de meervoudige kamer strafzaken van rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.