ECLI:NL:RBROT:2020:8377

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
8537785 CV EXPL 20-16617
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWZorgverzekeringswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering zorgpremie en proceskosten door VGZ tegen verzekerde

VGZ Zorgverzekeraar N.V. vordert betaling van een bedrag van €500,- plus wettelijke rente van verzekerde Sigmond Simion wegens achterstallige zorgpremie en niet-betaalde kosten. De verzekerde erkent de hoofdsom en incassokosten, maar betwist de proceskosten omdat hij meerdere pogingen deed tot een betalingsregeling vanwege financiële problemen.

De rechtbank stelt vast dat ondanks contactpogingen tussen partijen geen regeling tot stand is gekomen voor het moment van dagvaarden. De verzekerde blijft in gebreke met betaling van het verschuldigde bedrag. De kantonrechter oordeelt dat VGZ gerechtigd was de procedure te starten om een titel voor invordering te verkrijgen.

De kantonrechter veroordeelt de verzekerde tot betaling van €500,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 april 2020 en in de proceskosten. De financiële situatie van de verzekerde ontslaat hem niet van zijn betalingsverplichtingen jegens VGZ.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van €500 plus wettelijke rente en proceskosten aan VGZ.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8537785 CV EXPL 20-16617
uitspraak: 25 september 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
gevestigd te Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarder & Incasso,
tegen
Sigmond Simion [gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde: K. [gedaagde] .
Partijen worden hierna aangeduid als ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 15 april 2020, met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
de conclusie van repliek, met producties;
de conclusie van dupliek.
Het vonnis is bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
2.2
[gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie verschuldigd.

3..Het geschil

3.1
VGZ vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan VGZ van een bedrag van € 500,-, onder reserve van haar rechten op het meerdere, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
VGZ legt nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst ten grondslag. [gedaagde] is gehouden om premie en eventueel voorgeschoten maar niet voor vergoeding in aanmerking komende zorgkosten te betalen. [gedaagde] heeft niet aan deze verplichting voldaan voor de premieperiodes april tot en met september 2018. Daarnaast zijn de facturen voor polismutaties door wijziging van de verzekering van 19 april 2018 en zesmaal de acceptgirokosten niet betaald. De achterstand bedraagt – na verwerking van een betaling van € 98,- bij repliek – inclusief rente en kosten € 1.437,01. Om haar moverende redenen beperkt VGZ haar vordering vooralsnog, in deze procedure, tot een bedrag van € 500,-. Ter onderbouwing van haar vordering heeft VGZ specificaties van de betalingsachterstand overgelegd.
3.3 [gedaagde] heeft op de vordering gereageerd. Hierop wordt voor zover van belang in deze procedure in het navolgende ingegaan.

4..De beoordeling

4.1
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten niet weersproken, zodat de vordering voor dat deel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tussen partijen is wel de verschuldigdheid van de proceskosten in geschil.
4.2
Wat betreft de proceskosten is het uitgangspunt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld wordt veroordeeld in de proceskosten die de andere partij heeft gemaakt te vergoeden. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij voor zijn achterstand meermaals heeft geprobeerd om een regeling te treffen met VGZ omdat hij het bedrag vanwege zijn financiële situatie niet in één keer kan betalen. [gedaagde] is daarom van mening dat VGZ door hierop niet te reageren onterecht de gerechtelijke procedure is gestart en dus onterecht proceskosten heeft gemaakt. Nog daargelaten dat VGZ heeft gesteld dat zij wel heeft gereageerd, maar dat [gedaagde] geen concreet voorstel heeft gedaan en de vordering niet volledig heeft voldaan, is het zo dat de omstandigheid dat [gedaagde] met VGZ contact heeft gehad over het treffen van een betalingsregeling niet betekent dat VGZ onterecht deze procedure aanhangig heeft gemaakt wanneer er uiteindelijk voor het moment van dagvaarden geen regeling tot stand is gekomen. Voor zover tussen partijen nu wel een regeling bestaat, staat deze niet in de weg aan de toewijsbaarheid omdat [gedaagde] niet heeft weersproken dat door de regeling de procedure niet wordt beëindigd en dat deze een tijdelijk karakter heeft. Nu [gedaagde] met de betaling van het totaal aan VGZ verschuldigde bedrag in gebreke is gebleven, kon VGZ in redelijkheid [gedaagde] in rechte betrekken, teneinde een titel voor de invordering te verkrijgen. Hoe moeilijk de door [gedaagde] gestelde financiële omstandigheden ook voor hem zijn, zij ontslaan hem niet van zijn betalingsverplichtingen jegens VGZ. [gedaagde] wordt daarom, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

5..De beslissing

De kantonrechter
:
veroordeelt [gedaagde] aan VGZ te betalen een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGZ vastgesteld op € 124,- aan griffierecht, € 105,09 aan dagvaardingskosten en € 144,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
41645