Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
,
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam heeft op 10 september 2020 uitspraak gedaan in een civiele zaak waarin de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst vorderde wegens onderverhuur en het niet zelf bewonen van de woning door de huurder.
Uit getuigenverklaringen en bewijsstukken bleek dat de huurder het gehuurde gedurende enige tijd niet als hoofdverblijf gebruikte, maar het had onderverhuurd aan een derde die maandelijks € 900 betaalde. De huurder kon geen overtuigend bewijs leveren dat hij de woning zelf bewoonde of dat de algemene huurvoorwaarden niet van toepassing waren.
De rechtbank oordeelde dat de tekortkomingen ernstig en langdurig waren, waardoor ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd was. De huurder werd veroordeeld tot ontruiming binnen vier weken, betaling van een huurachterstand van € 533,68, maandelijkse huurverplichtingen vanaf november 2019, en een schadevergoeding ter hoogte van de door hem genoten winst uit onderverhuur van € 3.173,76.
Daarnaast werden buitengerechtelijke kosten en proceskosten aan de zijde van de verhuurder toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens onderverhuur en niet-bewoning, met veroordeling tot ontruiming en betaling van achterstallige huur en winstafdracht.