Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[naam kind] ,
[naam moeder] ,
[naam pleegouders] ,
Het procesverloop
De feiten
Het verzoek
De standpunten
De beoordeling
De beslissing
Den Haag.
Rechtbank Rotterdam
De minderjarige verbleef sinds juni 2018 in een pleeggezin en stond onder toezichtstelling tot september 2020. Na vier suïcidepogingen, waarvan de laatste in december 2019, werd de minderjarige tijdelijk opgenomen in het Erasmus MC en vervolgens zonder machtiging overgeplaatst naar een crisisopvang. De pleegouders konden de veiligheid niet langer waarborgen.
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en toestemming tot wijziging van het verblijf. De moeder wilde dat het kind thuis zou wonen en betwistte het gebrek aan structuur. De pleegouders en pleegzorgwerker benadrukten de noodzaak van intensieve behandeling en begeleiding.
De kinderrechter oordeelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van verzorging en opvoeding en dat een jeugdhulpaccommodatie momenteel de meest geschikte plek is. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. Het verzoek tot toestemming voor wijziging van verblijf werd afgewezen omdat artikel 1:265i BW niet van toepassing is op overplaatsing van pleeggezin naar jeugdhulpaccommodatie.
De beschikking is mondeling gegeven op 23 januari 2020 en schriftelijk vastgesteld op 29 januari 2020. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door betrokken partijen.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing in jeugdhulpaccommodatie verleend, verzoek tot wijziging verblijf afgewezen.