Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Inhoud vordering
3..Geldigheid oproeping
derdeen vierde lid, Sv. In de Memorie van Toelichting bij artikel 36e Sv (pag. 58, tweede alinea) staat immers:
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 18 juni 2020 een zaak betreffende de ontnemingsvordering tegen een rechtspersoon gevestigd in Liberia. De officier van justitie had gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de rechtspersoon verplicht tot betaling aan de Staat.
De kern van het geschil betrof de geldigheid van de oproeping aan de rechtspersoon. De rechtbank constateerde dat de oproeping niet op de wettelijk voorgeschreven wijze was betekend. De Wet USB regelt sinds 1 januari 2020 de uitreiking van gerechtelijke stukken aan natuurlijke personen in het buitenland, maar bevat een fout in artikel 36m Sv waardoor artikel 36e, derde lid, Sv niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op rechtspersonen.
De rechtbank las artikel 36m Sv daarom verbeterd en oordeelde dat de oproeping aan de rechtspersoon had moeten worden toegezonden naar het statutaire vestigingsadres. Omdat uit het dossier niet bleek dat de oproeping op deze wijze was verzonden of ontvangen, verklaarde de rechtbank de oproeping nietig.
Hierdoor kon de zitting niet rechtsgeldig plaatsvinden en werd de procedure over de ontnemingsvordering voorlopig stilgelegd. Dit arrest benadrukt het belang van correcte betekening bij rechtspersonen in het buitenland en corrigeert een lacune in de Wet USB.
Uitkomst: De oproeping aan de rechtspersoon in het buitenland is nietig verklaard wegens niet-naleving van de wettelijke betekeningseisen.