Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Procesverloop
- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
- de relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene.
Rechtbank Rotterdam
De officier van justitie verzocht op 22 juni 2020 om voortzetting van een crisismaatregel op grond van artikel 7:7 Wvggz Pro voor betrokkene, die verblijft in een zorginstelling. De mondelinge behandeling vond plaats op 24 juni 2020 via beeldbellen vanwege COVID-19, waarbij betrokkene, zijn advocaat, een psychiater en een verpleegkundig specialist werden gehoord. De officier verscheen niet ter zitting.
De rechtbank oordeelde dat het ernstig nadeel dat betrokkene veroorzaakt, zoals wateroverlast in zijn woning en zorgmijding, niet dermate acuut en ernstig is dat een gedwongen opname gerechtvaardigd is. De opname is een te zwaar middel en voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Betrokkene was slechts eenmaal in 2013 gedwongen opgenomen, sindsdien niet meer, wat het huidige nadeel relatief licht maakt.
De rechtbank adviseerde betrokkene dringend contact op te nemen met zijn huisarts voor medicatie, maar betrokkene gaf aan dit niet nodig te vinden. Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel werd daarom afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens disproportionaliteit en te zwaar middel.