De officier van justitie verzocht op 15 juni 2020 om voortzetting van een eerder opgelegde crisismaatregel van 13 juni 2020 voor betrokkene, die lijdt aan depressieve stemmingsstoornissen en een post traumatische stress stoornis (PTSS). De mondelinge behandeling vond plaats op 16 juni 2020, waarbij betrokkene, haar advocaat, een psychiater en haar broer telefonisch werden gehoord vanwege COVID-19 maatregelen.
Uit de medische verklaring en de behandeling bleek dat betrokkene een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel ondervindt, waaronder levensgevaar en ernstige verwaarlozing, veroorzaakt door haar psychische stoornissen. Zij vertoont suïcidale gedragingen zoals het niet innemen van medicatie en voedsel. Ambulante hulp was onvoldoende en een klinische opname was noodzakelijk.
De rechtbank achtte het noodzakelijk om de bewegingsvrijheid van betrokkene te beperken en haar op te nemen in een accommodatie om het ernstig nadeel af te wenden. Andere vormen van verplichte zorg, zoals het toedienen van medicatie en het beperken van communicatie, werden niet noodzakelijk geacht. Betrokkene verzette zich tegen de zorg, maar er waren geen minder bezwarende alternatieven.
De maatregel werd als evenredig en effectief beoordeeld met het oog op de veiligheid en maatschappelijke participatie van betrokkene. De rechtbank verleende de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor de duur van drie weken, tot en met 7 juli 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.