Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 198 lid 1 RvArt. 198 lid 3 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bewijslevering en deskundigenonderzoek in geschil over laswerkzaamheden aan schip
In deze civiele procedure tussen Damen Shiprepair Rotterdam B.V. (DSR) en Welding Company N.V. (WelCom) staat de beoordeling van de laswerkzaamheden aan de spudcans van een schip centraal. WelCom wenst te bewijzen dat de werkzaamheden correct en conform de geldende lasspecificaties zijn uitgevoerd. De rechtbank heeft WelCom daartoe de mogelijkheid gegeven middels een deskundigenonderzoek.
De rechtbank beveelt een deskundigenbericht op grond van de artikelen 194 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Partijen krijgen de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over de vraagstelling aan de deskundige en over de persoon van de te benoemen deskundige. De rechtbank benadrukt het belang van overleg tussen partijen om tot een gemeenschappelijke vraagstelling en deskundige te komen.
Verder wordt bepaald dat WelCom als eisende partij het voorschot voor het deskundigenonderzoek dient te betalen, conform artikel 195 RvPro. De rechtbank wijst erop dat de deskundige onpartijdig moet zijn en dat partijen verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek. Verdere beslissingen worden aangehouden tot na ontvangst van de akten van partijen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt een deskundigenbericht en houdt verdere beslissing aan tot partijen zich hebben uitgelaten over vraagstelling, deskundige en voorschot.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/559625 / HA ZA 18-939
Vonnis van 15 april 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DAMEN SHIPREPAIR ROTTERDAM B.V.,
gevestigd te Schiedam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. N.J. Margetson te Rotterdam,
tegen
rechtspersoon naar vreemd recht
WELDING COMPANY N.V.,
gevestigd te Schelle, België,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J. Blussé van Oud-Alblas te Rotterdam.
Partijen zullen hierna DSR en WelCom genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van de rechtbank van 20 november 2019 (hierna: het tussenvonnis);
de akte van Welding;
de antwoordakte van DSR.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De verdere beoordeling
in reconventie
2.1.
Bij het tussenvonnis is WelCom toegelaten te bewijzen dat zij de laswerkzaamheden aan de [naam schip] correct en volgens de ten tijde van de laswerkzaamheden geldende lasspecificatie heeft uitgevoerd.
2.2.
Uit de akte van WelCom leidt de rechtbank af dat WelCom het aan haar opgedragen bewijs wenst te leveren door middel van een deskundigenonderzoek als bedoeld in de artikelen 194 en verder Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank acht daarvoor voldoende redenen aanwezig en zal daarom een deskundigenbericht bevelen.
2.3.
Alvorens de rechtbank hiertoe overgaat, zullen partijen eerst in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de aan de te benoemen deskundige(n) voor te leggen vraag of vragen. De rechtbank stelt voor dat aan de te benoemen deskundige(n) de algemene vraag wordt voorgelegd of WelCom de laswerkzaamheden aan de spudcans van de [naam schip] in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen en volgens de ten tijde van de laswerkzaamheden geldende lasspecificatie heeft uitgevoerd. Partijen mogen zich over deze vraagstelling uitlaten. Zij mogen ook aanvullende vragen voorstellen. Het is vanzelfsprekend toegestaan dat partijen over de vraagstelling in onderling overleg treden. De rechtbank spreekt ook de voorkeur uit dat zij dit doen en zo veel mogelijk met gemeenschappelijke voorstellen komen.
2.4.
Partijen worden ook in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige(n). Deze mag niet eerder bij deze zaak in welke hoedanigheid dan ook betrokken zijn geweest. Het verdient aanbeveling dat partijen met betrekking tot de persoon van de deskundige in overleg treden en ook hierover overeenstemming bereiken. Als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de persoon van de deskundige en beide partijen (een) deskundige(n) voorstellen, dienen zij gemotiveerd aan te geven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de deskundige die door de wederpartij is voorgesteld, niet voor benoeming in aanmerking behoort te komen.
2.5.
Partijen kunnen zich bij de hiervoor genoemde akte tevens uitlaten over de hoogte van het voorschot van de te benoemen deskundige. Bij gebreke van een dergelijke uitlating zal de rechtbank in overleg met de te benoemen deskundige de hoogte van het voorschot vaststellen. Gelet op de hoofdregel van artikel 195 RvPro zal WelCom als eisende partij de kosten van het voorschot van de deskundige moeten betalen.
2.6.
WelCom heeft DSR in haar akte nog verzocht zich uit te laten over haar al dan niet bereidwilligheid om haar rapportages en inspectieverslagen die betrekking hebben op de (controle van de) laswerkzaamheden in het geding te brengen, bij gebreke waarvan zij een vordering ex artikel 843a Rv zal instellen. De rechtbank overweegt in dit kader dat de te benoemen deskundige(n) zijn of haar onderzoek op grond van artikel 198 lid 1 RvPro onpartijdig en naar beste weten zal moeten uitvoeren. Dit brengt mee dat het aan de deskundige is om te bepalen welke door partijen te verschaffen gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het hem of haar opgedragen onderzoek. Op grond van artikel 198 lid 3 RvPro zijn partijen verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek, zodat zij desgevraagd de deskundige die gegevens moeten verstrekken. Uit een weigering tot medewerking aan het deskundigenonderzoek zal de rechtbank de gevolgtrekking kunnen maken die zij geraden acht.
2.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3.De beslissing
De rechtbank:
in reconventie
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 mei 2020voor het nemen van een akte na tussenvonnis door beide partijen waarin zij zich uitlaten als bedoeld in de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.5,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos, mr. W.J. van den Bergh en mr. J.E. Molenaar. Het is ondertekend door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 15 april 2020