ECLI:NL:RBROT:2020:2685

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2020
Publicatiedatum
30 maart 2020
Zaaknummer
C/10/591860 / JE RK 20-506
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M.J. van den Broek-Prins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vervanging gecertificeerde instelling bij ondertoezichtstelling

De vader heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om de gecertificeerde instelling (GI) die belast is met de ondertoezichtstelling van zijn drie kinderen te vervangen door een andere GI. De ondertoezichtstelling was verlengd tot 26 februari 2021 en de kinderen wonen bij de moeder. De GI voert de hulpverlening uit en er is al meerdere keren op verzoek van de vader gewisseld van jeugdbeschermer. De vader heeft ook een klacht ingediend tegen de huidige jeugdbeschermer.

Tijdens de zitting heeft de GI aangegeven dat een wisseling van GI zou leiden tot een wachttijd en stagnatie in de hulpverlening, terwijl de kinderen inmiddels een band hebben opgebouwd met de huidige jeugdbeschermer. De moeder stemde niet in met het verzoek en voorzag dat een nieuwe GI opnieuw tot klachten en gebrek aan medewerking van de vader zou leiden.

De kinderrechter overweegt dat het belang van de kinderen voorop staat en dat het verzoek van de vader niet kan worden toegewezen omdat het niet aannemelijk is gemaakt dat een wisseling in het belang van de kinderen is. De klachtenprocedure bij de GI moet eerst worden afgewacht. De continuïteit van de hulpverlening en de relatie met de huidige jeugdbeschermer wegen zwaarder dan het belang van de vader.

Daarom wijst de kinderrechter het verzoek af. De beschikking is op 13 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek van de vader tot vervanging van de gecertificeerde instelling wordt afgewezen vanwege het belang van continuïteit in de hulpverlening voor de kinderen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/591860 / JE RK 20-506
datum uitspraak: 13 maart 2020

beschikking

in de zaak van

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,
betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2010 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam vader] ,

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2012 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] ,

[naam kind 3] ,

geboren op [geboortedatum kind 3] 2012 te [geboorteplaats kind 3] , hierna te noemen [naam kind 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Gouda.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift van de vader van 16 februari 2020, ingekomen bij de griffie op 19 februari 2020.
Op 13 maart 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam vertegenwoordigster] en [naam vertegenwoordiger] .
De vader heeft telefonisch aan de rechtbank laten weten dat hij de oproep voor de zitting vrij laat heeft ontvangen, waardoor hij geen vrij meer kan nemen van zijn werk voor de zitting. De vader heeft vervolgens meegedeeld dat nu het verzoek van de vader zelf afkomstig is, hij het niet nodig vindt om de zaak te verplaatsen naar een andere zittingsdatum.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam vader] , [naam kind 2] en [naam kind 3] wordt uitgeoefend door de ouders.
[naam vader] , [naam kind 2] en [naam kind 3] wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 14 februari 2020 is de ondertoezichtstelling van [naam vader] , [naam kind 2] en [naam kind 3] verlengd tot 26 februari 2021.
In deze beschikking is abusievelijk de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland, locatie Dordrecht, opgenomen als de betrokken gecertificeerde instelling, echter dit dient gelezen te worden als de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, locatie Gouda.

Het verzoek

De vader heeft de kinderrechter verzocht om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door een andere gecertificeerde instelling.

De standpunten

De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat er reeds twee keer een andere jeugdbeschermer is aangesteld, op verzoek van de vader. Hij heeft ook een klacht ingediend tegen de huidige jeugdbeschermer. Er is een patroon zichtbaar, waarin de vader verzoekt om een andere jeugdbeschermer en hij klachten indient. De hulpverlening is inmiddels gestart en er zullen ook gesprekken met de kinderen gaan plaatsvinden. De jeugdbeschermer heeft een band opgebouwd met de kinderen. Indien een andere gecertificeerde instelling betrokken raakt, dan zal er sprake zijn van een wachttijd alvorens de hulp kan starten. De GI acht een wijziging van gecertificeerde instelling niet noodzakelijk.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:259 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
De kinderrechter overweegt ten aanzien van het verzoek van de vader het volgende.
Op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging
.Dat betekent dat de kinderrechter bij elke beslissing allereerst naar het belang van de kinderen dient te kijken
.
De overgelegde stukken en de behandeling van de zaak ter zitting kunnen naar het oordeel van de kinderrechter niet tot de conclusie leiden dat het belang van [naam vader] , [naam kind 2] en [naam kind 3] vergt dat de GI, die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, moet worden vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
Gebleken is dat er in de afgelopen periode, op verzoek van de vader, al meerdere wijzigingen van jeugdbeschermer hebben plaatsgevonden. Ook is de vader een klachtenprocedure gestart bij de klachtencommissie van de GI. De vader heeft in het verzoekschrift zijn onvrede geuit over de werkwijze van de GI, maar nu er nog een klachtenprocedure daarover bij de GI aanhangig is, dient naar het oordeel van de kinderrechter het eerst tot een vergelijk tussen de vader en de GI te komen, om te bezien of de klachten van de vader gegrond zijn en voor de GI redengevend zouden kunnen zijn om aan de bezwaren van de vader tegemoet te komen. Hoewel duidelijk is dat sprake is van een voor verbetering vatbare samenwerking tussen de vader en de GI, rechtvaardigt dat naar het oordeel van de kinderrechter echter niet dat door een wisseling van GI een stagnatie zou optreden in de begeleiding van de kinderen door de jeugdbescherming of in de hulp die voor hen is georganiseerd. Bovendien hebben de kinderen een band opgebouwd met de huidige jeugdbeschermer en kan het opnieuw moeten wisselen van jeugdbeschermer voor hen belastend zijn. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat hun belang bij het behoud van de samenwerking met de huidige jeugdbeschermer dient te prevaleren boven het belang van de vader. Daarbij komt dat uit het verzoekschrift van de vader niet is gebleken welke gecertificeerde instelling dan wel zou moeten worden belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Gelet op het vorenstaande, zal de kinderrechter het verzoek van de vader afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020 door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op ... maart 2020.