ECLI:NL:RBROT:2020:2360
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid dagvaarding wegens niet-betekening in valsheid in geschrifte en oplichting
Op 27 februari 2020 heeft de rechtbank Rotterdam in een meervoudige kamer voor strafzaken uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van valsheid in geschrifte en oplichting. De tenlastelegging betrof het gebruik van vervalste bankafschriften om zich voor te doen als ontvanger van een maandelijks UWV-inkomen, met als doel wederrechtelijk financieel voordeel te behalen.
Tijdens de terechtzitting bleek dat de dagvaarding niet op de wettelijk voorgeschreven wijze aan verdachte was betekend. Bovendien was verdachte niet verschenen op de zitting. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de dagvaarding nietig was. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde de dagvaarding nietig.
De tenlastelegging omvatte onder meer het gebruik van valse bankafschriften over de periodes mei en augustus 2018, waarbij fictieve inkomens werden vermeld om een leningsovereenkomst aan te gaan en schulden teniet te doen. De rechtbank heeft de dagvaarding niet inhoudelijk beoordeeld vanwege de nietigheid.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter Milders en rechters de Winkel en van Mulbregt, in aanwezigheid van griffier Scholtens. De nietigheid van de dagvaarding betekent dat de strafzaak niet verder kan worden behandeld zolang de dagvaarding niet rechtsgeldig wordt betekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig wegens niet-betekening en afwezigheid van verdachte.