ECLI:NL:RBROT:2020:12888

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2020
Publicatiedatum
4 februari 2021
Zaaknummer
C/10/604706 / FA RK 20-7338
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek zorgmachtiging op grond van vrijwilligheid betrokkene

De officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene. Het verzoek werd ondersteund door medische verklaringen en een zorgplan van betrokken psychiaters en sociaal psychiatrisch verpleegkundigen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 8 oktober 2020 was betrokkene aanwezig, maar zijn advocaat verscheen zonder bericht van verhindering niet. De rechtbank besloot de zitting voort te zetten na zorgvuldige afweging van de rechten van betrokkene. De officier van justitie was niet aanwezig, omdat hij geen nadere toelichting noodzakelijk achtte.

De sociaal psychiatrisch verpleegkundige lichtte toe dat betrokkene in het verleden aangaf te stoppen met medicatie zonder machtiging, maar dat het toestandsbeeld nu stabiel is en overleg over medicatiedosering goed mogelijk is. Betrokkene verklaarde herhaaldelijk dat hij zijn medicatie vrijwillig blijft innemen om opname te voorkomen.

De rechtbank stelde vast dat er voldoende vertrouwen is in de vrijwilligheid van betrokkene en concludeerde dat niet aan de voorwaarden voor verplichte zorg is voldaan. Daarom werd het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen wegens voldoende vertrouwen in de vrijwilligheid van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/604706 / FA RK 20-7338
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 8 oktober 2020 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboorteplaats betrokkene] te [geboortedatum betrokkene],
hierna: betrokkene,
wonende en verblijvende aan [adres betrokkene],
advocaat mr. S.C. Dikkers te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding van
5 oktober 2020 en het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 23 september 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1], psychiater, van 3 juni 2020;
  • de zorgkaart van 10 juni 2020;
  • het zorgplan van 18 maart 2020;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan; en
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene;
  • [naam 2], sociaal psychiatrisch verpleegkundige, verbonden aan Parnassia Groep bureau BOPZ Rijnmond.
1.3.
De advocaat van betrokkene is, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Op 5 oktober 2020 was de zaak reeds aangehouden omdat de advocaat toen evenmin, zonder bericht van verhindering, was verschenen. De advocaat is voor beide zitting behoorlijk en tijdig opgeroepen. Betrokkene heeft ter zitting aangegeven zijn advocaat meerdere keren te hebben gebeld. Hem zou door het kantoor van de advocaat zijn verteld, dat hij zou worden teruggebeld. Volgens betrokkene is dat niet gebeurd en heeft hij aldus geen rechtsbijstand van zijn advocaat gehad. Omdat de advocaat opnieuw niet is verschenen heeft de rechtbank onderzocht of zij de behandeling kan voortzetten in afwezigheid van de advocaat. De rechter heeft in dat kader in het bijzonder gekeken naar de rechten van betrokkene en het waarborgen daarvan. De rechtbank heeft dit met partijen besproken en onder deze voorwaarden de zitting voortgezet.
1.4.
De officier is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

De sociaal psychiatrisch verpleegkundige geeft aan dat hij voor betrokkene een zorgmachtiging heeft aangevraagd omdat betrokkene in het verleden aangaf te stoppen met zijn medicatie als hij geen machtiging heeft. Ook licht de sociaal psychiatrisch verpleegkundige toe dat het toestandsbeeld van betrokkene stabiel is en er goed overleg mogelijk is over de dosering van de medicatie.
Betrokkene geeft tijdens de mondelinge behandeling bij herhaling aan dat hij zijn medicatie zal blijven nemen, ook als hij geen machtiging heeft, omdat hij niet opgenomen wil worden. De rechtbank heeft voldoende vertrouwen in de vrijwilligheid van betrokkene. Gelet hierop is er niet voldaan aan de voorwaarden voor verplichte zorg. Het verzoek zal worden afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af:
Deze beschikking is op 8 oktober 2020 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van M. Streefland, griffier en op 13 oktober 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.