ECLI:NL:RBROT:2020:11444

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2020
Publicatiedatum
10 december 2020
Zaaknummer
ROT 19/401
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990Art. 3:4 AwbArt. 6:22 AwbArt. 26 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van betalingscapaciteit en belangenafweging bij terugvordering huurtoeslag

Eiser verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor terugvorderingen huurtoeslag over 2013 en 2014, welke door verweerder werd afgewezen. Het bestreden besluit handhaafde een maandbedrag van €195,- gebaseerd op een betalingscapaciteit van €579,-, later aangepast naar €417,-. Eiser stelde dat deze capaciteit onjuist was vastgesteld en dat hij het bedrag niet kon betalen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht normbedragen hanteert bij de bepaling van de betalingscapaciteit en dat de door eiser aangevoerde civielrechtelijke argumenten en eerdere jurisprudentie niet van toepassing zijn. De belangenafweging door verweerder is in overeenstemming met recente uitspraken van de Raad van State, waarbij discretionaire ruimte bestaat om het terug te vorderen bedrag te matigen.

De rechtbank concludeert dat met het maandbedrag van €195,- voldoende rekening is gehouden met de financiële situatie van eiser en dat het beroep ongegrond is. Tevens wordt verweerder verplicht het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het maandbedrag van €195,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/401

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde 1] .

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ten behoeve van de terugvorderingen huurtoeslag over berekeningsjaren 2013 (€ 1.903,-) en 2014 (€ 2.755,-), uitstel van betaling verleend voor 24 maanden, waarbij de voorwaarde is gesteld dat eiser vanaf april 2018 een maandbedrag van € 195,- betaalt.
Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Uit coulance wordt er een nieuwe ingangsdatum gehanteerd. Eiser dient € 195,- per maand te voldoen, waarbij de uiterste betaaldatum van de eerste termijn is vastgesteld op 30 oktober 2018.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift van 9 april 2020 ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiser is (telefonisch per speaker) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [naam gemachtigde 2] en [naam gemachtigde 3] .

Overwegingen

1. Eiser heeft in maart 2018 verzocht om een persoonlijke betalingsregeling in verband met de terugvorderingen van huurtoeslag over de jaren 2013 en 2014.
In het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen en bepaald dat eiser vanaf april 2018 voor een periode van 24 maanden maandelijks een bedrag van € 195,- dient terug te betalen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de invordering van toeslagterugvorderingen is geregeld in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke regelingen (hierna Awir). Pas als deze gegevens zijn getoetst en gebleken is dat er inderdaad sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig een standaardregeling te kunnen betalen, kan een persoonlijke betalingsregeling volgen.
2.2.
Het besluit eiser een persoonlijke betalingsregeling te weigeren, is met het bestreden besluit gehandhaafd. Hierbij is eisers maandelijkse betalingscapaciteit vastgesteld op € 579,00. In verband met de zogeheten uitvoeringstolerantie wordt slechts 80% opgeëist, waardoor de opeisbare betalingscapaciteit € 464,- per maand bedraagt. Op grond hiervan is er bij eiser geen sprake van onvoldoende betalingscapaciteit en is het maandbedrag van € 195,- gehandhaafd. De uiterste betaaltermijn van de eerste termijn is gewijzigd naar 30 oktober 2018 en de laatste termijn dient voor 30 september 2020 betaald te zijn.
2.3.
In het verweerschrift is aangegeven dat de betalingscapaciteit die bij het bestreden besluit is vastgesteld, niet langer wordt gehandhaafd. Verweerder heeft het vakantiegeld partner aangepast van € 97,- naar € 58,- en de overige uitgaven (belastingschuld) aangepast van € 43,- naar € 61,-. De in het bestreden besluit vastgestelde betalingscapaciteit van € 464,- per maand, wordt hierdoor aangepast en vastgesteld op € 417,- per maand. Het ingenomen standpunt dat er bij eiser geen sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit en het maandbedrag van € 195,-, worden gehandhaafd.
3. Eiser voert aan dat hij het maandbedrag van € 195,- niet kan betalen. In bezwaar heeft eiser toegelicht dat zijn partner ook geen persoonlijke betalingsregeling heeft gekregen, waardoor gezamenlijk € 253,- per maand betaald dient te worden. Volgens eiser is de maandelijkse betaalcapaciteit ten onrechte op € 579,- vastgesteld. Tevens verwijst eiser naar de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2018 over de onjuiste huurnorm die gehanteerd wordt. Volgens verweerders berekening betaalt eiser € 503,-, terwijl de feitelijke huur hoger is. Dit geldt eveneens voor de normpremie zorgkosten. Eiser komt door het maandbedrag van € 195,- in de financiële problemen en heeft een betalingsregeling van € 100,- per maand voorgesteld. Bij brief van 13 oktober 2020 heeft eiser betwist dat hij de teruggevorderde toeslagen heeft ontvangen.
Beoordeling van het geschil.
4. In geschil is of verweerder de maandelijkse betalingscapaciteit van eiser juist heeft vastgesteld. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn op 13 oktober 2020 gestelde bezwaar dat hij de huurtoeslagbedragen die hij moet terugbetalen, niet heeft ontvangen. Dit standpunt van eiser is niet eerder aangevoerd en is niet met gegevens nader onderbouwd. Niet gebleken is dat de hoogte van de teveel betaalde huurtoeslag over 2013 en 2014 ten onrechte is vastgesteld op € 1.903,- en € 2.755,-.
4.1.
In artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is limitatief opgesomd welke uitgaven verweerder mag meenemen in de bepaling van de maandelijkse betalingscapaciteit. Bij de berekening van de betalingscapaciteit kan dus geen rekening worden gehouden met alle feitelijke uitgaven van eiser.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de door eiser genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland niet van toepassing is, omdat deze ziet op de hoogte van de beslagvrije voet bij loonbeslag en het nemen van invorderingsmaatregelen. Voor zover het beroep van eiseres op het (civielrechtelijke) leerstuk van de redelijkheid en billijkheid hier aangemerkt moet worden als een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is de rechtbank van oordeel dat door het hanteren van normbedragen geen sprake is van schending daarvan.
5. Bij brief van 9 april 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de uitspraken van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2019:3535 en ECLI:NL:RVS:2019:3536 geen aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen. Bij eiser is geen sprake van opzet of schuld. Na herbeoordeling komt eiser in aanmerking voor een persoonlijke betaalregeling, dat betekent dat er rekening wordt gehouden met de betalingscapaciteit. Uit de berekening is een betaalcapaciteit van € 417,- per maand vastgesteld. Dit is ruim boven het maandelijkse termijnbedrag van € 195,- die eiser over 24 maanden moet voldoen.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze herbeoordeling van verweerder in overeenstemming is met de in de voornoemde uitspraken van de Raad van State beoogde belangenafweging over de hoogte van het als zodanig maandelijks terug te betalen bedrag. De rechtbank merkt hierover op dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:3536, de gehanteerde nieuwe uitleg van artikel 26 van Pro de Awir inhoudt dat niet langer imperatief voorgeschreven is dat de Belastingdienst/Toeslagen het gehele bedrag van de belanghebbende moet terugvorderen. De bepaling biedt de Belastingdienst/Toeslagen dus discretionaire ruimte bij de vaststelling van het bedrag dat wordt teruggevorderd. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afzien of het terug te vorderen bedrag kan matigen.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet zodanig bijzonder zijn dat de dienst daarin aanleiding had moeten zien om van terugvordering af te zien of het terug te vorderen bedrag te matigen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft naar voren gebracht dat eiser een persoonlijke betalingsregeling met een looptijd van 24 maanden krijgt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat gelet op de betaalcapaciteit van € 417,-, met de vastgestelde maandelijkse termijn van € 195,- voldoende rekening is gehouden met eisers belangen. Er wordt rekening gehouden met zijn betalingscapaciteit, waarbij wordt gekeken naar zijn huidige inkomen en de schulden die hij en zijn toeslagpartner bij de dienst heeft. Ook wordt er niet verrekend met toeslagen die hij mogelijk ontvangt.
5.1.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande de motivering van het bestreden besluit aangepast, zonder dat dat voor eiser in de praktijk gevolgen heeft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om, met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit te passeren.
6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Gezien het gestelde in overweging 5. en 5.1. ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoed. Er zijn geen verdere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 47,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 december 2020.
de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.