Eiser verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor terugvorderingen huurtoeslag over 2013 en 2014, welke door verweerder werd afgewezen. Het bestreden besluit handhaafde een maandbedrag van €195,- gebaseerd op een betalingscapaciteit van €579,-, later aangepast naar €417,-. Eiser stelde dat deze capaciteit onjuist was vastgesteld en dat hij het bedrag niet kon betalen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht normbedragen hanteert bij de bepaling van de betalingscapaciteit en dat de door eiser aangevoerde civielrechtelijke argumenten en eerdere jurisprudentie niet van toepassing zijn. De belangenafweging door verweerder is in overeenstemming met recente uitspraken van de Raad van State, waarbij discretionaire ruimte bestaat om het terug te vorderen bedrag te matigen.
De rechtbank concludeert dat met het maandbedrag van €195,- voldoende rekening is gehouden met de financiële situatie van eiser en dat het beroep ongegrond is. Tevens wordt verweerder verplicht het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.