Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2019:9558

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2019
Publicatiedatum
6 december 2019
Zaaknummer
586157 / HA RK 19-1382
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:41 lid 1 AwbArt. 8:41 lid 6 AwbArt. 9.1 Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens misbruik en ontbreken rechterlijke beslissing

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de bestuursrechtbank Rotterdam naar aanleiding van het afwijzen van zijn beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht door de griffier. De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing van de griffier een voorlopig karakter heeft en dat uiteindelijk de rechter beslist over de ontvankelijkheid van het beroep.

Het wrakingsverzoek is niet gericht tegen een specifieke rechter, zoals vereist volgens artikel 8:15 Awb Pro, en is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Bovendien is het wrakingsverzoek aangewend om een andere beslissing van de griffier af te dwingen, wat een misbruik van het wrakingsmiddel vormt.

Eerder zijn vergelijkbare wrakingsverzoeken van verzoeker afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. Daarom wordt bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze procedure niet in behandeling zal worden genomen.

De beslissing is genomen door de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 21 november 2019.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 586157 / HA RK 19-1382
Beslissing van 21 november 2019
op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [adres] ,
verzoeker,
strekkende tot wraking van de bestuursrechtbank in de zaak met kenmerk ROT 19 / 4184.

1.Het procesverloop en de processtukken

Verzoeker heeft bestuursrechtelijk beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam] op een door hem ingediend bezwaar tegen een besluit van genoemd college, welke beroepszaak bij de rechtbank is geregistreerd onder het hierboven genoemde kenmerk.
In de beroepszaak heeft verzoeker ten aanzien van het door hem verschuldigde griffierecht een beroep gedaan op betalingsonmacht.
De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Ook de verzoeken van verzoeker om die afwijzing te heroverwegen werden door de griffier afgewezen.
Bij brief van 12 november 2019 heeft verzoeker wraking verzocht van de bestuursrechtbank Rotterdam.
Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt de tussen verzoeker en de griffier ten aanzien van het verschuldigde griffierecht gevoerde correspondentie.

2.Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
Het beroep van verzoeker op betalingsonmacht is ten onrechte geweigerd, waardoor hij het risico loopt dat zijn beroep niet inhoudelijk worden behandeld. Verzoeker heeft voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van zijn betalingsonmacht. Door de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag is in andere zaken van verzoeker wel het beroep op betalingsonmacht gehonoreerd.

3.De beoordeling

3.1
de ontvankelijkheid van het verzoek
3.1.1
Allereerst is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek is gericht tegen de rechter of rechters die een zaak of zaken van verzoeker behandelen, zoals artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende:
3.1.2
Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd het (bij herhaling) afwijzen van zijn beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het verschuldigde griffierecht.
3.1.3
In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven. Indien de financiële situatie van de rechtzoekende in de beoordelingsperiode naar het oordeel van de griffier van het gerecht voldoet aan de normen voor het niet heffen van griffierecht, dan wijst de griffier van het gerecht een verzoek op betalingsonmacht voorshands toe en wordt van de rechtzoekende vooralsnog geen griffierecht geheven. De griffier van het gerecht stelt de rechtzoekende van zijn beslissing in kennis met een brief. Indien de griffier van het gerecht op grond van de door de Raad voor rechtsbijstand verstrekte inkomensverklaring of op grond van de actuele financiële situatie in de beoordelingsperiode van oordeel is dat de rechtzoekende niet voldoet aan de normen voor het afzien van de heffing van griffierecht, dan wijst de griffier
van het gerecht het verzoek op betalingsonmacht af.
3.1.4
Uit het vorenstaande volgt dat de beslissingen van de griffier van het gerecht een voorlopig karakter hebben. Dit houdt verband met de omstandigheid dat uiteindelijk de rechter beslist of het beroep van een rechtzoekende niet-ontvankelijk is vanwege het in verzuim zijn van een rechtzoekende in de zin van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Om die reden is in de jurisprudentie dan ook bepaald dat wanneer in de loop van de procedure gerede twijfel ontstaat aan de juistheid van de beslissing van de griffier van het gerecht daarvan uiterlijk tot de (eind)uitspraak kan worden teruggekomen.
3.1.5
Op grond van het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat er vooralsnog geen sprake is van enige rechterlijke beslissing in voornoemde procedure. Het wrakingsverzoek wijst evenmin de rechter(s) bij name aan, die door verzoeker worden gewraakt. Geconcludeerd moet worden dat het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter(s).
3.1.6
De wrakingskamer zal verzoeker om deze redenen, met toepassing van artikel 9.1, aanhef en onder d van het Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam en zonder behandeling ter zitting, aanstonds niet-ontvankelijk verklaren in het wrakingsverzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.
3.2
misbruik
3.2.1
De wrakingskamer overweegt voorts dat uit de eigen stellingen van verzoeker blijkt dat
hij het wrakingsverzoek heeft aangewend om een andersluidende beslissing van de griffier ten aanzien van de verplichting tot betaling van griffierecht te forceren. Verzoeker heeft daarmee het middel van wraking aangewend niet op gronden jegens de rechter zelf zoals genoemd in rechtsoverweging 3.1, maar voor een doel, waarvoor het middel niet bedoeld is en hij maakt aldus misbruik van het middel van wraking.
3.2.2
Daar komt bij dat verzoeker eerder in vier andere bestuursrechtelijke beroepsprocedures eveneens de behandelend rechter heeft gewraakt op dezelfde gronden als thans aan het wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, welk wrakingsverzoek bij beslissing van 20 mei 2019 door de wrakingskamer werd afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.
3.2.3
Het vorenstaande rechtvaardigt thans de beslissing dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van de rechter in de onderhavige procedure niet meer in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de bestuursrechtbank Rotterdam;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure met kenmerk ROT 19 / 4184 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.H. Geerars, voorzitter, mr. G.A.F.M. Wouters en mr. A. Eerdhuijzen, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.
Verzonden op:
aan:
- verzoeker