Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
- het verweerschrift van Hollandia , ontvangen op 10 september 2019;
- de pleitnota van de gemachtigde van Hollandia .
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en Hollandia Offshore B.V. over de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De werknemer was sinds 1990 in dienst en werd ontslagen na toestemming van het UWV, dat oordeelde dat herplaatsing binnen de groep niet mogelijk was.
De werknemer stelde dat herplaatsing mogelijk was in de functie van magazijnbeheerder, maar deze functie was niet aan hem aangeboden. Hij verzocht primair om herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair om een billijke vergoeding wegens onjuiste argumenten van de werkgever in de ontslagprocedure.
De kantonrechter oordeelde dat de toetsing ex tunc plaatsvindt, op het moment van het UWV-besluit. Toen was de functie van magazijnbeheerder niet vacant en was het niet redelijk om te verwachten dat de werknemer zich binnen de opzegtermijn de benodigde kennis en vaardigheden eigen zou maken. De werkgever heeft voldoende onderzoek gedaan en zich als goed werkgever gedragen.
Daarom worden de verzoeken van de werknemer afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten. Het tegenverzoek van de werkgever tot terugbetaling van de transitievergoeding wordt niet behandeld.
Uitkomst: Verzoek tot herstel arbeidsovereenkomst en billijke vergoeding wordt afgewezen wegens rechtmatig bedrijfseconomisch ontslag.