ECLI:NL:RBROT:2019:7768

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
4 oktober 2019
Zaaknummer
ROT 18/3805
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 122c WaterschapswetArt. 122d WaterschapswetArt. 18 Verordening Zuiveringsheffing Delfland 2016
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte wegens onjuiste vaststelling waterverbruik

Eiser ontving een aanslag zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2016 voor een bedrijfsruimte, een café met daarboven woningen. Hij betwistte de aanslag omdat hij geen water van Dunea afneemt, maar van de eigenaar, en meende dat de aanslag daarom onterecht aan hem werd opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht aan eiser is opgelegd als gebruiker van de bedrijfsruimte, aangezien de zuiveringsheffing is gebaseerd op het zuiveren van afvalwater en niet op het waterafnamecontract. De hoogte van de aanslag wordt bepaald aan de hand van het waterverbruik, waarvoor de gegevens van Dunea worden gebruikt. De rechtbank volgt de berekeningsmethode van verweerder waarbij het totale waterverbruik van het pand wordt verminderd met het verbruik van de bewoners.

De rechtbank constateert dat het bestreden besluit uitgaat van een te hoog waterverbruik (464 m³) terwijl de juiste berekening uitkomt op 444 m³. Hierdoor is de aanslag te hoog vastgesteld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, stelt de aanslag vast op basis van 10,212 vervuilingseenheden en het geldende tarief, en bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag zuiveringsheffing en stelt deze vast op een lager bedrag van €964,64.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 18/3805

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Wilhelmy Damsté.

Procesverloop

Bij aanslagbiljet van 31 maart 2018 heeft verweerder voor het object [adres] (hierna: de onroerende zaak) aan eiser voor het belastingjaar 2016 een aanslag Waterschapsbelastingen Zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd van [bedrag 1] .
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 10 juli 2018 (hierna: het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019.
Eiser en verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De onroerende zaak is een pand bestaande uit een café met daarboven enkele woningen. Eiser is gebruiker van de onderste verdieping.
De aanslag is opgelegd voor 10,69 vervuilingseenheden. In geschil of verweerder de aanslag kon opleggen en zo ja, wat de hoogte daarvan moet zijn.
2. Eiser is het niet eens met de aanslag en voert aan dat hij geen water afneemt van Dunea, maar van de eigenaar van het pand. Eiser wijst erop dat hij daarvoor al aan de eigenaar van het pand betaalt en dat de aanslag daarom niet aan hem moet worden opgelegd.
2.1
Het gaat in deze zaak niet om het afnemen van water van Dunea, maar om een belasting voor het zuiveren van afvalwater. Dit zijn twee verschillende dingen.
In artikel 122d van de Waterschapswet is deze belasting geregeld. Hierin staat onder andere:
1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.
2 Aan de heffing worden onderworpen:
a. ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte.
Eiser baat het café uit en is daarom gebruiker hiervan. Dit betekent dat de aanslag terecht aan hem is opgelegd.
3. Eiser is verder van mening dat de aanslag te hoog is. Hij wijst erop dat hij in 2015 en 2017 slechts [bedrag 2] ,- zuiveringsheffing heeft betaald.
Uit Waterschapswet volgt dat de hoogte van de heffing wordt bepaald door het aantal vervuilingseenheden. Op grond van de Waterschapswet moeten de vervuilingseenheden (mede) worden bepaald aan de hand van het aan eiser geleverde water (zie artikel 122c en onder j van de Waterschapswet).
Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat hij van Dunea de gegevens van het geleverde water (het waterverbruik) doorkrijgt. Daarin zijn per jaar grote verschillen te zien, vandaar de lagere aanslagen in andere jaren. Er is geen andere mogelijkheid om informatie over het waterverbruik van eiser te krijgen zodat er moet worden uitgegaan van de gegevens over 2016. De rechtbank geeft verweerder hierin gelijk. De enige manier om achter het waterverbruik van eiser te komen, is via de informatie van Dunea. Als die informatie niet klopt, kan dat verweerder niet kwalijk worden genomen, maar moet dit bij Dunea worden aangekaart. Eiser zou ook een tussenmeter kunnen nemen, zodat precies vaststaat hoeveel water jaarlijks aan hem is geleverd.
Op grond van de gegevens van Dunea is het totale waterverbruik van het pand in 2016 726 m³ geweest. Hiervan moet dan het waterverbruik van de bewoners van het pand worden afgetrokken. Volgens het BRP stonden er in 2016 zes personen ingeschreven in het pand, daar gaat verweerder dan terecht vanuit. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het gemiddelde waterverbruik van één persoon 47 m³ per jaar is. Als je dit aftrekt van het totale waterverbruik van het pand, is er 444 m³ (726-47*6) aan eiser toe te rekenen. De rechtbank sluit zich bij deze berekeningsmethode aan.
4. In het bestreden besluit ging verweerder uit van een waterverbruik van eiser van
464 m³, terwijl uit de berekening ter zitting een verbruik van 444 m³ volgt. Het bestreden besluit is op dit punt onjuist, waardoor ook de hoogte van de aanslag niet goed is.
5. Concluderend betekent dit dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal zelf de hoogte van de aanslag vaststellen.
Om het aantal vervuilingseenheden te berekenen moet het waterverbruik vermenigvuldigd worden met de voor het café geldende afvalwater coëfficiënt van 0,023. Dit leidt tot 10,212 (444*0,023) vervuilingseenheden. Het tarief per vervuilingseenheid bedraagt [bedrag 3] (zoals volgt uit artikel 18 van Pro de Verordening Zuiveringsheffing Delfland 2016). Dit betekent dat de aanslag op [bedrag 4] (10,212*94,45) moet worden vastgesteld. Dit zal de rechtbank hierna onder het kopje beslissing opnemen.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt de hoogte van de aanslag op [bedrag 4] ;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 oktober 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).