ECLI:NL:RBROT:2019:7712
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- L.J. van Die
- Rechtspraak.nl
Betaling vaststellingsovereenkomst ondanks activiteiten vennootschap onder firma
Eiser was sinds 2010 in dienst bij de rechtsvoorganger van gedaagde en werd in 2016 vennoot van een vennootschap onder firma (V.O.F.) die zich bezighoudt met handel en reparatie van gebruikte auto's. Partijen maakten in 2016 werkafspraken over het functioneren van eiser als zorgcoördinator, waarbij expliciet werd afgesproken dat hij geen werkzaamheden voor zijn eigen handelsactiviteiten tijdens werktijd zou verrichten.
In maart 2019 startte eiser een outplacementtraject en stelde hij een vaststellingsovereenkomst voor, die partijen op 17 april 2019 sloten. In deze overeenkomst verklaarde eiser geen vooruitzicht te hebben op een dienstverband of positie elders, met de afspraak dat bij onjuistheid van deze verklaring de vergoeding van €15.000 bruto terugbetaald moest worden.
Gedaagde weigerde betaling omdat eiser wel degelijk actief was bij de V.O.F. en mede-eigenaar was. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde bij het sluiten van de overeenkomst bekend was met de activiteiten van eiser bij de V.O.F. en dat deze activiteiten niet als vooruitzicht op een dienstverband of positie elders konden worden aangemerkt. De uitbreiding van de activiteiten en het feit dat eiser een WW-uitkering ontving, maakten dit oordeel versterkt.
Daarom werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de vergoeding van €15.000 bruto plus wettelijke rente en proceskosten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van de overeengekomen vergoeding van €15.000 bruto met wettelijke rente en proceskosten.