Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2019 in de zaak tussen
[Eiser 1](eiser 1)
[Vennootschap 2](eiseres 2);
[Vennootschap 3](eiseres 3);
[Vennootschap 4](eiseres 4),
de Minister voor Medische Zorg, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
niet-ontvankelijk.
zullenvoldoen aan de normen.
In onderdeel b wordt van die definitie uitgesloten levende dieren, tenzij bereid om in de handel te worden gebracht voor menselijke consumptie. Weliswaar bevat de Nederlandse taalversie de term “bereid” als voltooid deelwoord (in de Engelse taalversie: “are prepared”), maar de rechtbank is van oordeel dat uit het doel en de strekking van die definitiebepaling, gelet ook op Verordening (EG) nr. 853/2004, niet volgt dat bij het bereidingsproces Verordening (EG) nr. 178/2002 toepassing mist. Verordening (EG) nr. 853/2004 bevat specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, waarbij op grond van artikel 2 de Pro definitie van “levensmiddel” van artikel 2 van Pro Verordening 178/2002 van toepassing is. Die specifieke hygiënevoorschriften hebben onder meer betrekking op zuiveringscentra voor oesters, want uit bijlage III, sectie VII, hoofdstuk IV, onder A.3, tweede volzin volgt dat levende tweekleppige weekdieren continu moeten worden gezuiverd gedurende een periode die lang genoeg is om ze te laten voldoen aan de gezondheidsnormen van hoofdstuk V en aan de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 aangenomen microbiologische normen. Als het betoog van eiseres 2 zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat oesters geen levensmiddel in de zin van Verordening 178/2002 zijn en dat de in Verordening 853/2004 gestelde hygiënevoorschriften voor zuiveringscentra voor oesters iedere werking missen. Evident is dat een dergelijke uitleg in strijd is met doel en strekking van Verordening 853/2004 in samenhang met Verordening 178/2002 en dat oesters ook tijdens het zuiveringsproces een levensmiddel in de zin van Verordening 178/2202 zijn. Gelet op een en ander is verweerder bevoegd om bij het niet naleven van artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie VII, hoofdstuk IV, onder A.3, tweede volzin, van Verordening (EG) 853/2004 handhavend op te treden op grond van de Warenwet en het daarop gebaseerde Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen.
Het betoog faalt.
Wat eiseres 2 verder ten aanzien van de door verweerder veronderstelde eis van accreditatie en met betrekking tot de toepassing door verweerder van Infoblad 85 en het Cefas-rapport heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover dat is ingesteld door eisers 1, 3 en 4 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover dat is ingesteld door eiseres 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres 2 het betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 2 tot een bedrag van € 1.573,74.
mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 oktober 2019.