ECLI:NL:RBROT:2019:749

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2019
Publicatiedatum
1 februari 2019
Zaaknummer
10/996678-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 onder e Wet op de accijnsArt. 279 SvArt. 377 lid 2 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs accijnsontduiking gasolie binnenvaartschip

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging dat hij op of omstreeks 16 februari 2015 te Rotterdam opzettelijk gasolie in de bunkertanks van een binnenvaartschip zou hebben gehad die niet in de accijnsheffing was betrokken. De tenlastelegging berustte op het feit dat het gehalte van de kleurstof Solvent Yellow 124 in de gasolie lager was dan voorgeschreven.

De verdediging stelde dat verdachte geen invloed had op de samenstelling van de gebunkerde gasolie en dat uit analyseresultaten bleek dat gasolie bij Nederlandse bunkerstations niet altijd voldoende kleurstof bevatte. Over Belgische bunkerstations was geen informatie beschikbaar. Hierdoor kon niet worden uitgesloten dat de gasolie op legale wijze was gebunkerd, ondanks het lage kleurstofgehalte.

De officier van justitie erkende dit standpunt en vorderde vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om schuld vast te stellen en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij gasolie met ontoereikend kleurstofgehalte in de bunkertanks had.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10/996678-16
Datum uitspraak: 30 januari 2019
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro.)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisadministratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
gemachtigd raadsman mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De verdachte is gedagvaard voor de zitting van de politierechter van 30 januari 2018 in deze rechtbank. De politierechter heeft vervolgens de zaak op de zitting van 15 juni 2018 verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De zaak is daar aanhangig gemaakt op de zitting van 10 december 2018.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de politierechter op de terechtzittingen van 30 januari 2018 en 15 juni 2018 en (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) van de meervoudige kamer op de terechtzittingen van 10 december 2018 en 30 januari 2019.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gevorderd:
- vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak feit 1
De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden, is of de verdachte in de bunkertanks van de tanklichter [naam tanklichter] (opzettelijk) gasolie voorhanden heeft gehad die niet in de accijnsheffing is betrokken.
De officier van justitie heeft zich (aanvankelijk) op het standpunt gesteld dat dit het geval was omdat het gehalte Solvent Yellow 124 in de gasolie lager was dan voorgeschreven.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat met bunkerbonnen is aangetoond dat de gasolie is ingenomen bij bunkerstations en dat de verdachte geen invloed heeft op de samenstelling van de gebunkerde gasolie.
Uit analyseresultaten van monsters die bij Nederlandse bunkerstations zijn genomen, blijkt dat de gasolie bij bunkerstations niet in alle gevallen voldoende Solvent Yellow 124 bevat. Over de samenstelling van gasolie bij Belgische bunkerstations is geen informatie voorhanden.
Onder deze omstandigheden kan – zoals ook de officier van justitie in zijn requisitoir heeft erkend – niet worden uitgesloten dat op reguliere, legale wijze gasolie is gebunkerd die niet voldeed aan de eisen met betrekking tot het Solvent Yellow 124-gehalte. Alleen al om die reden komt de rechtbank tot vrijspraak, zoals overigens gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de verdediging.
4.2.
Vrijspraak zonder nadere motivering feit 2
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

5.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maken deel uit van dit vonnis.

6.Beslissing

De rechtbank vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking en beslist als volgt:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. J.J. van den Berg en L. Daum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.D.B. Reuter, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2019.
.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 16 februari 2015 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid accijnsgoederen, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder e, van de Wet op de accijns, te weten (rode) gasolie (bestemd voor de voortstuwing van de tanklichter) ( [naam tanklichter] ), in de bunkertank:
- bunkertank machinekamer stuurboordzijde,
- bunkertank bakboordzijde voor,
- bunkertank machinekamer bakboordzijde,
voorhanden heeft/hebben gehad en/of voorhanden heeft/hebben doen hebben welke niet overeenkomstig de bepalingen inzake de Wet op de accijns in de heffing is/zijn betrokken;
subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 16 februari 2015, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk minerale oliën, die zijn voorzien van herkenningsmiddelen, zoals voorgeschreven bij ministeriële regeling, buiten een accijnsgoederenplaats voorhanden heeft/hebben gehad en/of voorhanden heeft/hebben doen hebben samen met middelen die de afscheiding en/of opheffing en/of verandering in deze oliën kunnen bewerkstelligen, immers voldeden de herkenningsmiddelen in de ‘gemerkte’ gasolie met vrijstelling van accijns in de bunkertank(s):
- bunkertank machinekamer stuurboordzijde,
- bunkertank bakboordzijde voor,
- bunkertank machinekamer bakboordzijde,
niet meer aan de voorgeschreven eisen voor hoeveelheden Solvent Yellow (124);
2.
hij, op of omstreeks 16 februari 2015, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen in verenging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid accijnsgoederen, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder Pro e van de Wet op de accijns, te weten (rode) gasolie (bestemd voor de voortstuwing van de tanklichter) ( [naam tanklichter] ), in de bunkertank:
- bunkertank machinekamer stuurboordzijde,
- bunkertank bakboordzijde voor,
- bunkertank machinekamer bakboordzijde,
voorhanden heeft/hebben gehad en/of voorhanden heeft/hebben doen hebben, zonder bescheid aan de hand waarvan de herkomst van die gasolie kan worden aangetoond.