ECLI:NL:RBROT:2019:7278
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatie- en Drank- en horecawetvergunning op grond van Wet Bibob
Verzoekster, een onderneming opgericht in 2015, kreeg op 21 augustus 2019 te maken met intrekking van haar exploitatie- en Drank- en horecawetvergunning door verweerder, de burgemeester van Rotterdam, op grond van de Wet Bibob. Dit besluit volgde op een advies van het Landelijk Bureau Bibob naar aanleiding van een OM-tip.
De intrekking is gebaseerd op het ernstig gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Dit gevaar wordt toegeschreven aan de relatie tussen verzoekster en [naam 4], die volgens een vonnis van 30 mei 2018 is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, witwassen, Opiumwetdelicten en bedreiging.
Verzoekster betoogde dat zij zich niet kon verweren omdat zij geen inzage had in het strafdossier en dat de intrekking niet evenredig is. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster voldoende kennis had van de Bibob-rapporten en dat de intrekking proportioneel is gezien de ernst van de feiten. Ook werd vastgesteld dat [naam 4] tot juni 2019 als leidinggevende op de vergunningen stond vermeld, wat de relatie bevestigt.
Gelet op deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de vergunningen wordt afgewezen.