ECLI:NL:RBROT:2019:6738

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juli 2019
Publicatiedatum
23 augustus 2019
Zaaknummer
578220 / HA RK 19-834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 186 RvArt. 9.1 Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid na eindbeslissing

Verzoeker diende op 15 maart 2019 een verzoek in voor een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 186 Rv Pro. De rechter behandelde dit verzoek en gaf op 12 juli 2019 een beschikking die als eindbeslissing geldt. Op 17 juli 2019 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de beschikking had gegeven.

Omdat het wrakingsverzoek pas na de eindbeslissing werd ingediend en de rechter de zaak niet meer behandelde, was het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Wraking is bedoeld om de onpartijdigheid van een rechter te waarborgen zolang deze nog bij de behandeling van een zaak betrokken is.

De rechtbank oordeelde dat het doel van wraking niet meer bereikt kan worden na een einduitspraak en wees het verzoek daarom af op grond van artikel 9.1 van het Wrakingsprotocol. De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige kamer voor wrakingen op 19 juli 2019.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid omdat het na de eindbeslissing werd ingediend.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 578220 / HA RK 19-834
Beslissing van 19 juli 2019
op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [adres],
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. S.H. Poiesz, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton 2 (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

Verzoeker heeft op 15 maart 2019 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Dit verzoekschrift, alsmede het daartegen door [naam wederpartij] ingediende verweerschrift, is door de rechter behandeld ter zitting van 24 juni 2019, waarna de rechter op 12 juli 2019 een beschikking heeft gegeven.
Die procedure draagt als kenmerk 7620596 \ VZ VERZ 19-4808.
Bij e-mailbericht van 17 juli 2019 heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht.
Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het wrakingsverzoek met bijlagen en het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt de beschikking van 12 juli 2019.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. 0p grond van
hetgeen is bepaald in artikel 36 Rv Pro kan de rechter die een zaak behandelt worden
gewraakt. Het middel is derhalve toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een
rechter die jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die
dienaangaande bestaande vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is, (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter
reeds een einduitspraak heeft gedaan omdat de behandeling van de zaak daarmee is
geëindigd.
2.2
Bij de uitspraak van 12 juli 2019 heeft de rechter in de hiervoor omschreven procedure een beslissing gegeven. Die uitspraak is een beslissing op het verzoek ingevolge artikel 186 Rv Pro. Niet gebleken is dat dit verzoek is gedaan tijdens het aanhangig zijn van een procedure, waardoor dit een verzoek is op grond van artikel 186, eerste lid, Rv. Een verzoek op grond van deze bepaling is een zelfstandig verzoek, vooruitlopende op een geding voor de burgerlijke rechter. Hiermee is de behandeling van de zaak door de rechter geëindigd en is de beslissing van 12 juli 2019 een eindbeslissing.
2.3
Het wrakingsverzoek is op 17 juli 2019 en derhalve na de uitspraak van voormelde beschikking ingediend. Hieruit volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter. Het verzoek zal op die grond, met toepassing van het bepaalde in artikel 9.1, tweede volzin en onder c, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot wraking van mr. S.H. Poiesz wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Deze beslissing is gegeven door mr. A. Verweij, voorzitter, mr. N. Doorduijn en
mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.
Verzonden op:
aan:
- verzoeker
- mr. S.H. Poiesz