ECLI:NL:RBROT:2019:6735
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tweede wrakingsverzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid
Verzoeker heeft op 15 maart 2019 een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit verzoek is behandeld en op 12 juli 2019 is een beschikking gegeven. Vervolgens heeft verzoeker op 17 juli 2019 een eerste wrakingsverzoek ingediend tegen mr. S.H. Poiesz, dat op 19 juli 2019 is afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Op 20 juli 2019 heeft verzoeker een tweede wrakingsverzoek ingediend tegen dezelfde rechter. De wrakingskamer heeft het dossier van de eerdere procedure en de beschikking van 12 juli 2019 bestudeerd, evenals e-mailberichten van verzoeker van 22 juli 2019.
De wrakingskamer stelt vast dat de feiten en omstandigheden die aan het tweede wrakingsverzoek ten grondslag liggen, al bekend waren bij het eerste wrakingsverzoek. Op grond van artikel 37 lid 4 Rv Pro en het Wrakingsprotocol van de rechtbank Rotterdam wordt een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling genomen tenzij nieuwe feiten of omstandigheden zijn opgedoken.
Daarom wordt het tweede wrakingsverzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam op 29 juli 2019.
Uitkomst: Het tweede wrakingsverzoek tegen mr. S.H. Poiesz is afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.