Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift, met producties, ontvangen op 28 november 2018;
- het verweerschrift, met producties, ontvangen op 28 januari 2019.
Rechtbank Rotterdam
De werknemer trad op 1 mei 1990 in dienst bij RET Bus B.V. als autobuschauffeur met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na een incident op 19 juli 2018 waarbij de werknemer te laat kwam, startte RET een procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op 9 augustus 2018 stuurde RET een concept beëindigingsovereenkomst aan de werknemer, waarin de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2018 zou eindigen met toekenning van een transitievergoeding.
De werknemer stelde dat op 9 augustus 2018 mondeling overeenstemming was bereikt over de beëindiging en dat de schriftelijke vastlegging slechts een formaliteit was. RET betwistte dit en stelde dat het aanbod op 16 augustus 2018 was herroepen voordat de werknemer schriftelijk akkoord was gegaan. De kantonrechter stelde vast dat de conceptovereenkomst op 9 augustus 2018 feitelijk de definitieve afspraken bevatte en dat de werknemer geen aanleiding had om te reageren omdat overeenstemming bestond.
De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst op 9 augustus 2018 tot stand was gekomen en niet eenzijdig door RET kon worden herroepen. Het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW was vervuld door de e-mail met de conceptovereenkomst. RET werd veroordeeld in de proceskosten en de arbeidsovereenkomst werd per 1 oktober 2018 beëindigd.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is per 1 oktober 2018 rechtsgeldig beëindigd met wederzijds goedvinden.