ECLI:NL:RBROT:2019:6085
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot afgifte van inboedel na vernietiging door verhuurder
In deze zaak vordert eiser de afgifte van een gedeelte van zijn inboedel die zich bevond in een kamer die hij huurde via een onderhuurovereenkomst. De verhuurder, Soul-Inn B&B B.V., had de kamer ontruimd en de inboedel laten opslaan, maar later vernietigd. Eiser stelde dat hij nooit afstand had gedaan van zijn spullen en dat hij dringend behoefte had aan zijn administratie en persoonlijke bezittingen.
De verhuurder voerde aan dat zij de opslagkosten niet langer kon dragen en dat eiser afstand had gedaan van zijn inboedel door het niet ophalen binnen de gestelde termijn. De rechtbank oordeelde dat Soul-Inn niet tijdig kennis had genomen van het verstekvonnis en daarom ontvankelijk was in het verzet. Vervolgens werd vastgesteld dat de inboedel op 7 februari 2019 was vernietigd, waardoor teruggave onmogelijk was.
De rechtbank concludeerde dat de vordering tot afgifte van de goederen niet toewijsbaar was en wees deze af. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, met uitzondering van de kosten voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding die voor rekening van Soul-Inn kwamen. Het verstekvonnis van 14 december 2018 werd vernietigd.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van de inboedel wordt afgewezen omdat de goederen zijn vernietigd.