Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verzoeker] , verzoeker,
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
[achterblijfster] , achterblijfster,
Ontstaan en loop van de procedure
Beslissing
Overwegingen
Kamerstukken II2005/06, 30 657, nr. 3)
Rechtbank Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam legde op 14 juni 2019 een huisverbod op aan verzoeker en verlengde dit op 21 juni 2019 tot 12 juli 2019. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het verzoek op 27 juni 2019.
De rechtbank oordeelde dat het gevaar voor de veiligheid van de achterblijvende partner en minderjarige kinderen op het moment van verlenging bestond en dat de burgemeester in redelijkheid zijn bevoegdheid tot verlenging had gebruikt. Verzoeker had geen rechtsmiddel aangewend tegen het oorspronkelijke besluit, waardoor het bestaan van het gevaar werd bevestigd.
Hoewel verzoeker op advies van zijn advocaat op 25 juni 2019 bereidheid tot een partnergesprek toonde, was er nog geen partnergesprek geweest en waren er geen veiligheidsafspraken gemaakt. Dit was onvoldoende om te verwachten dat verzoeker blijvend zou meewerken aan hulpverlening. Het huisverbod omvatte ook een contactverbod, dat ook voor de kinderen gold, maar dit stond niet in de weg aan contact met de kinderen indien dit veilig was.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van het huisverbod is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.